Boek Onherbergzame wegen is uit!


Het is een tijdje stil geweest op deze blog. Marte werd te oud om te reizen, en hebben wij de afgelopen twee jaar op Nederlandse bodem doorgebracht, waarbij we voornamelijk op campings stonden en tijdens de wat koudere periodes in een chalet of boshuisje overwinterden. Door wat eenvoudige werkzaamheden uit te voeren, zoals het schoonmaken van chalets, groenonderhoud en zelfs als magazijnwerker wisten we onszelf financieel te bedruipen, en zelfs te sparen voor onze volgende reis. Maar daarover meer in een volgende blog.


Met trots, durf ik wel te zeggen, dat mijn boek Onherbergzame wegen uit is!


Het beschrijft een stap uit het systeem en de weg naar een nomadenleven in een camperbus. Samen met de honden gaat de reis naar de meest afgelegen gebieden van Europa op zoek naar meer vrijheid, rust en eenvoud.


Bestellen kan via https://www.elikser.nl/onherbergzame-wegen.htm

De Kystriksveien kustroute

We staan met de bus op een groot parkeerterrein en kijken op een steile rotsen bergketen. De onderkant is bebost en loopt tot halverwege de bergketen glooiend omhoog. De gelaagde rotsen steken er rechtop en grillig bovenuit. Aan de andere kant van het terrein ligt Langsanden. De naam zegt het al: het is inderdaad een lang strand van twee kilometer.
Nadat ik een klein handwasje te drogen heb gehangen, loop ik samen met de honden over het strand. Er staan twee campers op het parkeerterrein, maar op het strand is niemand. Het is een groot verschil met het toeristische Lofoten. De honden rennen voor mij uit. Na een aantal dagen in de bergen te hebben doorgebracht, is het altijd heerlijk om weer even aan de kust te zijn. We ruilen de heupriem en de lange hikes in voor een stukje vrijheid op het strand. Ik zak met mijn zware wandelschoenen weg in het zachte zand. Ondanks de vrij intensieve wandeling van gisteren op Reinebringen, voelt mijn linkerbeen een stuk minder pijnlijk. Het valt gelukkig allemaal mee. Aan weerskanten van het strand zijn alleen maar bergen te zien. We bevinden ons op het eiland Sandhornøy, en zo voelt het ook: als een eiland.
We lopen terug langs het fraaie toiletgebouw. De toiletten zijn verwarmd, ruim ingericht met uitstekende faciliteiten. Voor tien kronen kun je er ook douchen. Wat jammer dat ik geen Noors geld bij me heb, maar ik ben tot nu toe nog nergens een geldautomaat tegengekomen. Nu kom ik meestal niet op heel drukke plekken, dus dat kan de reden zijn geweest. Naast het gebouw staan vuilnisbakken en er is een kraan met een tuinslang. Ik heb mijn watervoorraad inmiddels weer aangevuld. Het parkeerterrein is groot, maar toch leuk ingericht met picknicktafels en voldoende groen aan de zijkanten.
Even later zit ik met een kopje thee in de deuropening van de bus. De honden liggen tevreden in het gras. Vanochtendvroeg verlieten we na vier dagen de Lofoten, en maakten de oversteek met de ferry van Moskenes naar Bodo. Het was een ruige overtocht van ruim drieëneenhalf uur op open zee, dat de meeste passagiers flink zeeziek maakte. Ik kijk om me heen. De herfstkleuren zijn hier aan de westkust ook wel aanwezig, maar de herfst lijkt nog niet zo vergevorderd als helemaal bovenin Noorwegen. En of het nu toeval is of niet, maar de temperaturen lijken ook veel milder. Het is zeventien graden, en dat is toch heel wat anders dan die vijf graden op de Nordkapp. De jas kan weer uit, en de muts en de handschoenen liggen alweer in het kastje boven de bestuurdersstoel.
Het is al donker wanneer ik een laatste plasronde met de honden over het parkeerterrein maak. Het wasje, dat al bijna droog is, hang ik aan een klein waslijntje in de bus. Het dakraampje staat op een kier, en we vallen in slaap op de zachte ruis van de zee.

We volgen de komende dagen de Kystriksveien kustroute, ook wel de Nasjonal Turistveg Helgeland genoemd. Deze is ongeveer zeshondedenvijftig kilometer lang, en in totaal moeten we zes keer met de ferry het water oversteken om de Fv17 te kunnen blijven volgen. De weg kronkelt zich om en door de bergen heen, en biedt telkens weer adembenemende uitzichten op de gletsjers aan. De blauwe gletsjertongen reiken tot ver in de bergspleten, als watervallen die bevroren in tijd zijn. Deze ijzige taferelen worden afgewisseld met witte strandjes en baaien aan de kust.
Ik stop bij Holand Rasteplass, net voor Halsa. Er zijn hier niet echt wandelmogelijkheden voor de honden, maar we hebben vanochtend nog een mooie strandwandeling gemaakt op Langsanden, en dient deze plek puur als tussenstop. We hebben een prachtig uitzicht op het water, met daarachter de bergen en gletsjers.
We bevinden ons aan de oostkant van Saltfjellet Nasjonalpark, terwijl we precies twee weken geleden aan de andere kant bij Arctic Circle Centre stonden. Vanaf deze kant is de Svartisen gletsjer, of eigenlijk de uitlopers ervan, te bereiken via het water. Er worden vanaf deze kant diverse boottochten aangeboden.
Het is al aan het einde van de middag, en voor nu zit ik met een pannetje spaghetti op schoot in de deuropening van de bus, en kijk in stilte naar al dit natuurschoon.

Het is een regenachtige dag, dus we kunnen net zo goed de tweede ferry ook pakken. De eerste ferry bracht ons van Halsa naar Agskardet. Het was maar een klein stukje van tien minuten over het water. Nadat ik eerst de hele meute van auto’s, campers en vrachtwagens heb laten passeren, rijd ik op mijn gemak een uur langs de rotsige kust, de ijzig blauwe fjorden en kale bergen, die onder een dikke donkere bewolking gebukt gaan. De volgende ferry gaat vanaf Jektvika naar Kilboghamn. Tijdens de tocht over het water komt de zon tevoorschijn. De bergen ogen meteen een stuk minder somber. Watervallen tekenen zilveren lijnen langs hun flanken, die weer opgaan in het donkere gesteente van de berg. Talloze grote en kleine eilanden, en dat zijn er meer dan zes en een half duizend langs dit stuk aan de westkust, steken uit het water. Ongemerkt passeren we de poolcirkel. We hebben twee weken boven de poolcirkel vertoefd, en gelukkig waren de temperaturen in september nog goed te doen. Helaas hebben we geen noorderlicht kunnen waarnemen, maar die kans was ook wel erg klein rondom deze tijd van het jaar.
De overtocht duurt een uur. Daarna rijd ik nog een uur verder naar Wohnmobilstellplatz Utskarpen om te overnachten. Het zijn prachtige staanplaatsen met gras aan beide zijden, picknicktafels en vuilnisbakken. De honden liggen in het gras op een botje te kauwen, terwijl ik sta te koken.

Vanaf deze plek loopt de Tortenkota route, en die loop ik samen met Mika en Moran aan het einde van de middag. Al snel klimmen we omhoog over lagen door het water gepolijste rotsen. Het is glad, omdat het vrijwel de hele dag geregend heeft. Overal horen we stromend water, dat zich tussen de lagen rotsen manoeuvreert. Kleine poelen water vormen zich tussen de spleten en gaten. In de diepte achter ons ligt het fjord, en aan de overkant steken steile bergen tegen een donkere lucht af. De bewolking hangt nog steeds laag over de bergen, en ik zie dat onze route ook in de wolken verdwijnt. De stenen torentjes met de rode T’s zijn nauwelijks te zien. Meerdere keren lopen we verkeerd, maar dan zie ik toch weer ergens een rode T opduiken. ‘Zo gaat die wandeling wel langer dan een uurtje duren,’ zeg ik tegen de honden. Maar gelukkig valt het mee, want even verderop zien we het zeshoekige hutje al staan. Ik koppel Mika en Moran nog een keer van de heupriem af, zodat we de laatste rivier kunnen oversteken. Zij rennen snel door het ijskoude water, maar ik kom niet verder dan de eerste paar stapstenen. De rest ligt onder water, en hoe ik ook zoek naar een mogelijke oversteekplaats, het lukt me niet. Zwaar irritant dit. Na een halfuur geef ik het op. ‘Kom maar terug jongens,’ roep ik chagrijnig naar de honden. Het begint weer te regenen, en met een natte broek en schoenen kom ik terug bij de bus. Gelukkig maakt een kop thee weer veel goed. De chocola is helaas op.

De zon schijnt, en het is zowaar twintig graden in de bus. ‘Kom jongens, we gaan de Tortenkota nog een keer lopen,’ De route is nu makkelijk te volgen. De rotsen zijn minder glad en het water in de rivieren staat veel lager dan de dag ervoor. We lopen stevig door. De wolken weerspiegelen in de kleine poelen tussen de rotsen en in het groot op het rimpelloze wateroppervlak van het fjord. Het lijkt een driedimensionaal samenspel tussen een weerspiegeling op een weerspiegeling. ‘Nou het zal mij benieuwen,’ mompel ik wanneer we voor de laatste rivier van het hutje staan. Ja, het lukt. Met gemak springen we van steen naar steen naar de overkant. Mika en Moran rennen vooruit. Het hutje is gebouwd van kleine houten latjes. Binnen is een klein houtkacheltje, met eromheen een paar houten bankjes. Verder ligt er een logboek, en er hangt een wasrek aan het plafond. Ik kan me voorstellen dat de meeste hikers hier nat aankomen, dus een rekje boven de kachel om je kleding te drogen is dan wel handig. Nadat we wat hebben rondgekeken, aanvaarden we de terugweg. ‘Toch gelukt,’ zeg ik triomfantelijk tegen de honden.

Op handen en voeten klauter ik over de rotsen, die loodrecht omhoog lijken te gaan. Het zweet loopt over mijn gezicht en elke keer veeg ik het weer geïrriteerd weg met de mouw van mijn trui. Er staat een koude wind op deze hoogte, maar toch heb ik de eerste twee lagen alweer uitgetrokken. Mika en Moran trekken aan de heupriem. Ze springen behendig van steen naar steen, terwijl ik erachteraan strompel. Mijn wandelschoenen kraken wanneer ik mijn voeten zo schuin neerzet, dat het lijkt alsof de bovenkant van mijn tenen mijn schenen raken. Er komt een zeurende pijn in mijn gekneusde been opzetten, en mijn enkel voelt instabiel alsof deze op elk moment kan dubbel klappen. Om de dertig stappen moet ik stoppen om op adem te komen. Mika en Moran wachten geduldig. Wat zouden ze vinden van al dat gehijg achter zich? Ik kijk achter me, en vraag me af hoe ik ooit nog naar beneden kom op deze schuine rotswand. In de diepte zijn groene grasvlakten en huisjes te zien. Daarachter ligt het Ranfjorden. Een groot cruiseschip, dat vanaf hier op een speelgoedbootje lijkt, vaart richting de Noorse Zee. Ik kijk weer omhoog. Elke keer denk ik er te zijn,, maar dan ligt er toch weer een hogere rotslaag achter. We bevinden ons tussen de Skaerdingen en Tvillingen, twee van de Syv Sostre, oftewel de Zeven Zusters, een bergketen op het eiland Alsten. De wandeling valt in de vierde categorie, dat is de zwaarste categorie onder de bergbeklimmers. ‘We zijn er bijijijijijijna,’ zeg ik voor de zoveelste keer tegen de honden, maar ook om mijzelf een beetje moed in te spreken. Met vereende krachten trek ik mijzelf op aan een rotspunt. Maar dan bereiken we eindelijk na twee uur klimmen de rotskam, die de twee zussen verbindt. Links van ons bevindt zich Tvillingen en rechts de iets hogere Skaerdingen. Alle zeven zussen zijn net iets onder of boven de duizend meter. Achter de zussen zijn de bergen van Lomsdal-Visten Nasjonalpark aan de overkant van het fjord te zien. Ik bekijk beide routes naar de toppen van de zussen, maar deze zijn echt te zwaar voor ons. Ze bestaan uit alleen maar  rotsblokken en puinhellingen. ‘We gaan weer naar beneden.’ Nadat ik even gezeten heb, zijn mijn spieren al helemaal verstijfd. Kreunend stuntel ik achter de honden de berg af.

‘Oh wat leuk,’ zeg ik wanneer we aan het einde van de middag een paar kilometer verder rijden naar de parkeerplaats van de laatste twee zussen Breitinden en Stortinden. Daar wil ik graag morgen nog een stukje van lopen. Het parkeerplaatsje bevindt zich iets van de weg af, met een mooi uitzicht op de Syv Sostre en het lichtglooiende graslandschap dat ervoor ligt. We eten in stilte, en horen niets anders dan een paar blatende schapen in de verte. Net als ik denk dat we voor een derde achtereenvolgende nacht alleen staan, komt er een enorme camper het parkeerplaatsje oprijden. Hij parkeert op nog geen vijf meter afstand van ons vandaan, en stapt uit. Zonder te groeten loot de man langs ons heen en opent de laadruimte aan de achterzijde van de camper en rolt er een kolossale generator uit. Een hels kabaal breekt los. Verbijsterd kijken de honden en ik elkaar aan. Dit is niet te harden. Ondanks dat het al donker wordt, zit er niks anders op dan weg te gaan. Snel pak ik de bus in, en een beetje verdrietig rijden we de weg weer op. Ik had me er zo op verheugd om nog een kleiner zusje van de Syv Sostre te beklimmen.
Een halfuurtje verder vinden we een parkeerplek nabij een begraafplaats voor krijgsgevangenen uit de Tweede Wereldoorlog. Er staat een herdenkingsmonument, waarnaast verse bloemen liggen. We lopen een laatste rondje tussen de graven in het donker. De gele droge blaadjes van de berken ritselen in de wind. Ik ben gelukkig vrijwel nooit bang in het donker of om alleen te zijn. Dat is omdat de honden bij mij zijn. Maar ik voel me toch wel een beetje verlaten, daar op die begraafplaats. Ik doe snel de gordijntjes dicht, en kruip weg tussen de honden in ons veilige huisje. Toch erg jammer dat die chocola op is.

Ik parkeer bij Skarsåsen Festningsanlegg. Er is hooguit ruimte voor drie of vier auto’s aan het onverharde weggetje. We lopen er even rond. Er staat een kanon en er liggen wat bunkers en loopgraven verspreid over het terrein. Het zijn enkele vestingwerken uit de Tweede Wereldoorlog, maar de honden zijn vooral geïnteresseerd in de geiten die er loslopen.
Aangezien onze wandeling op nog één van de Syv Sostre niet doorging, heb ik gekozen voor een alternatief: de Tilremshatten, een vrij gemakkelijke wandeling over een lange bergkam tot net boven de driehonderd meter hoogte. Tenminste, de wandeling staat beschreven als gemakkelijk, maar de klim valt mij een beetje tegen. Misschien is het omdat ik de vermoeidheid van de zware klim van gisteren nog in mijn benen voel, maar ik vind sommige stukken behoorlijk steil. Wanneer we eenmaal bovenop de Tilremshatten staan, hebben we uitzicht op Salhus, dat op het noordelijke deel van het schiereiland Bergen ligt, tot aan de Torghatten. Terug op het parkeerplaatsje bij Skarsåsen, voelt het toch niet goed om daar te blijven overnachten in het bos. Ik besluit om richting Torghatten te rijden.

Het waait hard wanneer wij door de tunnel van Torghatten over de stenen klimmen. Mika en Moran vinden de fluitende wind die door de tunnel klinkt eng, en staan dicht tegen mij aan. Torghatten is een granieten berg op het eiland Torget, en staat bekend om zijn karakteristieke gat, of natuurlijke tunnel, door het midden. Volgens wetenschappers is het gat in de IJstijd ontstaan doordat golven van de zee een zwakke plek in de bergwand uitholden toen het land honderd meter lager lag dan nu. Het gat is hondedzestig meter lang, vijfendertig meter hoog en vijftien meter breed. We lopen dwars door de berg heen. Halverwege de tunnel is een houten trap aan de zijkant bevestigd. Tussen de treden zijn grote open gaten, en ook dat vinden de honden eng. Voorzichtig dalen we voetje voor voetje de trap af. Ze kwispelen opgelucht wanneer we weer op vaste grond staan. Maar we zijn er nog niet. We klimmen verder over rotsblokken en steenpuin naar het daglicht aan de andere kant van de berg toe. In de verte hebben we een prachtig uitzicht op de Helgelandsfjorden en alle eilanden eromheen. Het blauw van het water schittert ons tegemoet. We lopen nu weer steil naar beneden. Ik voel de vermoeidheid in mijn benen, en er gaan pijnscheuten door mijn gekneusde linkerbeen. Via een klein paadje lopen we om de berg heen en komen we weer uit bij de bus op de parkeerplaats. We gaan ontbijten. Nog belangrijker: we hebben weer chocola in huis. Misschien neem ik daar meteen maar een stukje van.

De Lofoten ervaring

De rood, geel en oranje herfstkleuren domineren ons uitzicht, terwijl we langs een klein paadje omhoog klimmen. We begonnen langs de rand van het Storvanet meer, met dichte begroeiing alsof we in een regenwoud liepen. Daarna klommen we naast een snelstromende waterval verder, en moesten we meerdere aftakkingen ervan doorkruisen springend van steen naar steen. En nu hebben we dan eindelijk zicht op de Moysalen, een berg van net boven de twaalfhonderd meter hoog. De gekartelde rotswand steekt donker af tegen de blauwe lucht. Vanochtend reden we nog uren in de regen, en breekt dan eindelijk de zon door.
Het Moysalen Nasjonalpark in een klein natuurgebied van slechts vijftig vierkante meter, maar het landschap doet groots aan met al die bergen, fjorden en gletsjers. Het middelpunt van het park is de Moysalen-berg, die wij nu in het vizier hebben. Het kost ruim zes tot zeven uur om deze berg te beklimmen, maar wij doen er enkel een klein stukje van. Het zien ervan is eigenlijk al voldoende. Majestueus steekt hij boven de andere bergen uit, terwijl wij aan de voet van de vallei lopen. Er zijn planken neergelegd over de moerasachtige stukken, waarover de honden netjes voor mij uitlopen. ‘We gaan tot die volgende bergpunt, en dan stoppen we ermee,’ besluit ik. We hebben tenslotte al ruim anderhalf uur gelopen, dus het zal tegen zevenen zijn tegen de tijd dat we terug bij de bus zijn. Het is doodstil, en we zijn nog geen mens tegengekomen. Via een klein modderig paadje klimmen we nog een steil stuk omhoog. Ik zweet van de inspanning, en mijn net vanochtend schoon aangetrokken wandelbroek zit alweer onder de modderspatten. Kijkend over een meertje, werpen we nog een laatste blik op de Moysalen, voordat we ons omdraaien en aan onze terugtocht beginnen.

We rijden verder over de E10 op de Lofoten, en het landschap doet bijna sprookjesachtig aan. Bergen worden afgewisseld met een blauwe kustlijn en overal steken rotsen eilandjes uit het water. Tegen de bergen zijn her  en der wat huisjes aangebouwd, of ze bevinden zich bij de monding van een fjord. De wat grotere eilanden van de Lofoten zijn met elkaar verbonden door een brug of een tunnel onder het water. De E10 weeft zich als het ware over de eilanden heen.
Op het Vestvagoy eiland neem ik de afslag naar Hauklandstranda. Het is een wat smaller weggetje, maar na de kleine weggetjes in Engeland, schrikt dit gelukkig niet meer zo af. Het witte zand en het kristalheldere water is al van een afstand te zien. We draaien het parkeerterrein op en ik lees op een bord dat het lager gelegen terrein honderdzestig kronen kost om te overnachten. Voor het hoger gelegen terrein worden blijkbaar geen kosten in rekening gebracht. Het uitzicht is iets minder, maar dat maakt niet uit. Er lopen maar een paar mensen, dus ik laat de honden over het strand rennen. Marte staat meteen weer met haar pootjes in de zee, en rolt daarna in het zand. Mika en Moran ravotten op het strand en op de grote rotsblokken, die tot in het water liggen. Daarna gaan we wat eten. Ik heb een soort platte broodjes gekocht, en die afwisseling met spaghetti en blikvoer, is wel even fijn. Ik beleg de broodjes met wat kaas, en bak ze op met wat boter in een koekenpannetje. De honden krijgen extra brokken, maar ondanks alle voorzorgsmaatregelen, is Moran toch weer afgevallen. We maken dan ook wel flinke wandelingen. Mijn kleding zit ook weer wat losser, en dat terwijl ik toch dagelijks heel wat chocola consumeer.

In de middag loop ik samen met Mika en Moran de kustroute, die vanaf Haukland langs de Veggen-berg naar Uttakliev loopt. Het is een makkelijke wandeling over een grindpad dat vrijwel op gelijke hoogte blijft. We kijken uit over de zee, de rotskust en de donkere bergen aan de overkant van de baai. Uttakliev bestaat uit een paar huizen, boerderijen en wat bijgebouwen. Het strand wordt beschouwd als één van de meest fotogenieke Noorse stranden. Het stralende witte zand, groene gras, smaragdgroene water en de getijdengepolijste stenen op de rotsachtige kust schijnt fotografen van over de hele wereld te trekken. Voor Mika en Moran is het vooral een plek om vrij te rennen langs de branding van de zee.

Her regent de hele nacht. Middenin de nacht word ik wakker van de harde windstoten, die op de bus inbeuken. We zijn, sinds we in de bus wonen, nog nooit zo hard heen en weer geschud, en ik hoor het hout aan de binnenkant kraken. Houden de zonnepanelen op het dak dit wel? Of waait het dakraampje er zo uit? Mika gaat rechtop zitten. Hij is altijd de eerste die zich zorgen maakt. De andere twee slapen rustig door. We horen een klap, en daarna nog één. Ik doe het gordijntje bij de achterdeur een klein stukje omhoog, en samen met Mika kijk ik naar buiten. De deksel van een vuilnisbak staat recht omhoog en klappert in de wind. Twee wegversperringshekken liggen naast de weg op hun kant. Ik doe het gordijntje weer omlaag. ‘We gaan gewoon nog even lekker slapen,’ zeg ik tegen Mika, terwijl ik hem geruststellend over zijn grote kop aai. Maar in de daaropvolgende uren lig ik te luisteren naar de wind. Met elke harde windvlaag span ik onbewust mijn spieren aan. De bus lijkt af en toe bijna van de grond af te komen.

We blijven de volgende tot tien uur in bed liggen. Daarna lijkt het weer eindelijk een beetje op te klaren. Ik laat de honden vrij rennen over het Haukland strand. Het voordeel van slecht weer is dat er verder niemand is. Grote golven spoelen aan op het strand. De rotsen glinsteren van de nattigheid, en er hangen nog altijd donkere wolken boven de bergen.
Terug op de parkeerplaats ontdek ik een bord, waarop staat dat je ook hier honderdzestig kronen moet betalen om er te overnachten. Via een website kan je betalen of bij de koffieshop, maar die is tot nu toe nog niet open geweest. Ik vind het erg veel geld, vooral omdat je nog eens een extra twintig kronen moet betalen om naar de toilet te gaan, en bij de kraan hangt een bordje dat het water niet geschikt is om te drinken. Dat soort waarschuwingen kom ik trouwens wel vaker tegen, en tot nu toe ben ik nog nooit ziek geweest van het water dat niet drinkbaar zou zijn. Misschien hangt het er zodat mensen niet hun hele watertank ermee vullen, of het kan zijn dat ik inmiddels dankzij wat extra bacteriën een sterk immuunsysteem heb opgebouwd. Die betaling laat ik voor nu nog even zitten. Ik hoor het vanzelf wel als het niet goed is.
Marte is moe van het halfuurtje dat we op het strand hebben doorgebracht, en ze kruipt weer in haar mand. Ze slaapt steeds meer, en af en toe is ze bijna niet meer wakker te krijgen. Wordt ze te oud voor dit nomadenleven?

Samen met Mika en Moran ga ik weer op pad. Dit keer beklimmen we de berg Mannen, die achter de Veggen ligt. Mannen ligt vierhonderd meter boven zeeniveau, en binnen een uur hebben we de top bereikt. We kijken in de diepte neer op het strand en de blauwe baai van Vikbukta. Daarachter zien we de donkere bergen van de Lofoten, met hun rotsen uitlopers tot in de zee. Aan de andere kant van Mannen zien we het langwerpige meer Solstadvatnet, omringd door nog meer puntige bergen. We lopen terug richting het meer over een stenen bergkam. Aan beide kanten loopt het steil naar beneden. Het pad is modderig en glad van alle regen. Normaal gesproken die ik wat korter over de afdaling dan de klim naar boven, maar dit keer is het andersom. De terugweg neemt ruim anderhalf uur in beslag. Met kleine stapjes loop ik over de stenen. Af en toe glij ik zittend van een grote rots af. Mika en Moran wachten totdat ik zeg dat ze verder mogen. Ze luisteren goed, want ze voelen de ernst van de situatie wel aan. Er staat een harde ijzige wind, en ik krijg het koud. Dat maakt bewegen nog lastiger. Vol concentratie leg ik de laatste moeilijke stukken af. Ik zucht van opluchting. ‘Nou dat hebben we dan ook weer gehad,’ zeg ik tegen de honden. We zien het oude paardenpad, dat tot ver in de achttiende eeuw de enige verbinding tussen Haukland en Uttakliev was, beneden ons liggen. Ineens glijd ik uit. Mijn linkerbeen komt krom onder me te liggen, terwijl mijn rechterbeen voor me uitstrekt. Een felle pijnscheut schiet door mijn linkerknie. Misselijk van de pijn blijf ik versuft liggen. Langzaam dringt de kou en de nattigheid van de grond door in mijn lichaam, en ik besef dat ik moet opstaan. Mika en Moran staan ernstig kijkend naast me. Ik trek mijn linkerbeen langzaam naar me toe en plaats er voorzichtig wat gewicht op. Dat gaat goed, en ik kom in beweging. Het valt mee. In vertraagde pas bereiken we de bus. Er is niets heerlijkers dan na een intensieve wandeling, je natte kleding uit te trekken, het koude zweet met een loeiheet washandje eraf te wassen, en dan droge kleding aan te trekken. Met een warme kruik tegen mijn rug en een beker warme chocolademelk in mijn handen kijk ik dromerig vanaf mijn bankje in de bus naar de bergen.

We worden de volgende ochtend wakker en zien al de eerste zonnestralen door het dakraampje van de bus. Het belooft een mooie dag te worden. We zijn gisteren nog een uurtje verder over de Lofoten gereden, en staan nu op de parkeerplaats Steffenakken.
De Lofoten doet mij denken aan Isle of Skye. Beide eilanden zijn erg toeristisch, en overal rijden of zie je campers staan. Ook Steffenakken staat vol met campers, in een halve cirkel met uitzicht op de zee en rotsige kustlijn.
Vandaag wil ik de Reinebringen beklimmen, een supersteile maar niet al te lange tocht. Het is een populaire bestemming, dus we vertrekken vroeg om de ergste drukte te vermijden. Ik sla het dekbed terug om uit bed te stappen, maar mijn hele lichaam voelt stijf en pijnlijk aan na mijn val van gisteren. Mijn linkerbeen is vanaf de knie tot aan de enkel dik en blauw. Ik heb spierpijn tot aan mijn ribben. Het was voor mijn idee maar een kleine slip, maar voor mijn lijf voelt het alsof ik de halve Mannen ben afgerold. ‘Nou jongens, ik hoop dat die wandeling gaat lukken,’ zeg ik tegen de honden die alweer staan te popelen om naar buiten te gaan. Na een stevig ontbijt van warme pap en extra krachtvoer voor de honden, stap ik voorzichtig in mijn schoenen. Ik trek de veters van de hoge wandelschoenen flink aan, en hoop dat het mijn enkel wat stevigheid biedt. Het lopen gaat op zich wel, zolang ik geen draai maak of te ver doorbuig. We lopen een stukje langs de E10, en daarna beginnen we bij de oude weg naast de Ramsviktunnelen aan de steile trap omhoog. Ik zet steeds af met mijn rechterbeen en mijn spieren warmen zich al snel op. Het is met zo’n vijftienhonderd treden gelukkig maar de helft van de Helgelandstrappa. We staan regelmatig stil, niet alleen om op adem te komen, maar ook omdat er zich al heel wat mensen op de trap bevinden en Mika en Moran vrijwel altijd vertederende blikken opleveren en geaaid en geknuffeld moeten worden. De honden lijken hun therapeutische waarde te beseffen, en doen er van harte aan mee. Het uitzicht aan de top is wederom fenomenaal, en typisch Lofoten. We kijken neer op de kleine rode vissershuisjes van  het dorpje Reine, de eilanden die met bruggen aan elkaar verbonden zijn, de steile bergen die het omringen en de blauwe zee. De trap eindigt hier, maar ik zie dat er een paadje doorloopt over de bergen. ‘Laten we een klein stukje verder gaan, nu we hier toch zijn.’ Dat laten de honden zich geen tweede keer zeggen, en we lopen verder over de nauwe bergkam waarvan de afgronden nog steiler zijn dan die van de Mannen-berg gisteren. Ik probeer niet al teveel in de diepte te kijken, want ik vind het wel eng. We klimmen over grote rotsblokken, en glijden er aan de andere kant weer af. Mijn linkerbeen voel ik niet meer, want de adrenaline giert door mijn lichaam. Ik zie de top waar ik naar toe wil. Mika springt als eerste op een groot rotsblok, maar haalt het net niet. Zijn nagels krassen over het steen wanneer hij rakelings langs de afgrond terugvalt. Ik grijp de heupriem en trek hem terug van het randje. Mijn hart bonkt in mijn keel. Waar ben ik mee bezig? Mika wil nog een keer springen, maar ik houd hem tegen. Nee, dit is onverantwoord. ‘We gaan terug.’ Na nog een laatste blik op het topje te hebben geworpen, keren we om. De terugweg is niet makkelijk, want ik zie nu pas hoe ontzettend steil de klim is. Ik ben opgelucht, en voel me zelfs een beetje slap worden, wanneer we de stenen trap bereiken. ‘Vanaf nu gaan we echt wat voorzichtiger doen,’ zeg ik streng tegen de honden.

Waarom doen we dit ook alweer?

We worden wakker van de harde regen die met de windvlagen tegen de bus aanslaat. Het is maar een paar graden boven nul, en onze adem komt in kleine wolkjes naar buiten. Moran kijkt een beetje verdwaasd boven het dekbed uit. Samen kijken we onder het gordijntje naar buiten, maar ik zie helmaal geen regen. Het is de wind die zand en steengruis tegen de bus aanblaast. Ik hoop maar dat de lak van de bus hiertegen bestand is. Ik kleed me dik aan, en loop met de honden naar buiten. Marte begint voor ons uit te rennen. Ze vindt de kou en de wind heerlijk. Haar staart wordt uit de krul geblazen, en ze wordt zelf bijna van het pad afgeblazen, maar ze blijft fier voor ons uitlopen. Wanneer ik een halfuurtje later een bordje warme pap in de deuropening van de bus sta te eten, zie ik Marte in stilte naar de bergen kijken. Ze laat haar blik langzaam van links naar rechts glijden, en weer terug. Het is alsof ze alles nog voor een laatste keer goed in haar wil opnemen.

Eigenlijk wil ik nog een stuk oostelijker rijden naar Varangerhalvoya Nasjonalpark, dat uit een lage bergrug bestaat en waar het uitzicht wordt gedomineerd door grijze rotsen en stenigen vlakten. Het park heeft een bijzonder ecosysteem met vooral veel arctische flora. Maar er wordt de komende dagen veel regen voorspeld, en om nu honderden kilometers extra te rijden in slecht weer, zie ik niet zitten. Ik kies ervoor om een stuk terug te rijden richting de Lofoten, een eilandengroep voor de kust van Nordland. Om negen uur rijd ik voorzichtig de weg af vanaf de Nordkapp. Op de open stukken tussen de bergen rukt de wind hard aan de bus. Ik vertraag nog meer tot maar zestig kilometer per uur, en houd het stuur krampachtig vast. Het begint te regenen, maar zelfs met het donkere weer zijn de uitzichten over de kale met stenen bezaaide bergen en de ruige kustlijn indrukwekkend.

Regen. We horen al urenlang de regen op de bus kletteren. Ik doe de schuifdeur open, zodat de honden even buiten kunnen plassen. We staan aan Langfjordveien met uitzicht op het water en daarachter de bergen, maar alles oogt donker en grauw. En van al dat donker word ik toch een beetje somber. Wat doe ik hier? Waarom doe ik dit? Mika en Moran staan binnen twee minuten alweer kletsnat voor de bus. ‘Even wachten,’ zeg ik tegen ze, terwijl ik de handdoek pak en ze afdroog. De dekens en de matjes uitkloppen zit er vandaag niet in. Ik heb alles een beetje rechtgetrokken, en de honden springen snel naar binnen. ‘Ja hoor, tuurlijk,’ zeg ik terwijl ze zich uitschudden in de bus. Met een doekje veeg ik de modderspetters van de deurtjes van het keukenblokje, de bankjes en het bed. Marte weigert om uit haar mand te komen. Ze heeft geen zin om te plassen in de regen. ‘Voorlopig stoppen we niet,’ waarschuw ik ze. Ik eet een paar volkoren biscuits, terwijl ik weer achter het stuur zit. Zolang het regent, rijd ik maar door. Urenlang door de regen. Alsmaar regen.

Het meest noordelijke puntje van Europa

We rijden door Finnmark, de meest noordelijke regio van Noorwegen, dat ook wel bekend staat als Noors Lapland. Het werd van oorsprong bewoond door de Sami, het nomadische volk dat ook in Zweeds en Fins Lapland woont. Finmark kent lange fjorden aan de kust, terwijl het binnenland gedomineerd wordt door grote hoogvlaktes. Nadat we getankt hebben in Alta verruilen we de kust voor een stuk over een hoogvlakte. De bladeren van de berken zijn, met de naderende herfst, geel gekleurd. De lichtglooiende heuvels erachter, tekenen zich donkerpaars af tegen de lage ochtendzon. Watervallen lopen af in de Goahtemuorjohka, de rivier die parallel aan onze weg loopt. Opvallend veel van de berken zijn geknakt halverwege hun stammetje, en ik heb het vermoeden dat de winters hier zo zwaar zijn, dat velen van hen het niet overleven. Ik probeer me voor te stellen dat hier tijdens de wintermaanden alleen maar duisternis heerst. Wat een overlevingskracht moet de natuur en de dieren hebben, die dit wel overleven.

Aan het begin van de middag bereiken we een klein parkeerplaatsje dat Knivskjelodden Trail Parking heet. We zien alleen maar kale vlaktes met een hele hoop stenen om ons heen. ‘Nou, daar zijn we dan, op het bijna meest noordelijke puntje van Europa,’ zeg ik tegen de honden.

‘Daar is de zee,’ zeg ik tegen de honden. We kijken neer in de vallei op het stenen strand. We horen de golven stuk slaan op de stenen en de rotsen. De felblauwe kleur van het water weerspiegelt in de bijna wolkenloze lucht. Meeuwen vliegen krijsend over. Langs het steile modderige pad glijden we naar beneden. Een stenen toren met een stuk wrakhout en scheepstouw markeert het strand. ‘Dit is het eindpunt van de Knivskjelodden Trail.’ Ik kijk voldaan naar de honden. We hebben er twee uur over gedaan om het meest noordelijke puntje van het Europese vasteland te bereiken. Rechts van ons zien we de Nordkapp op een hoge klif op de landtong ernaast liggen. Maar dan zie ik links van ons nog meer stenen torentjes met grote rode T’s staan. ‘Nou jongens, we zijn er toch nog niet.’ Mika en Moran vinden het helemaal niet erg om verder te gaan. Ze lopen voor me uit aan de heupriem. De tocht wordt nog zwaarder, want we moeten schuin over lange uitlopers van de rotsen lopen. Deze zijn glad van kleine stroompjes water, mossen en modder. Meerdere keren dalen we af in een kloof, om er daarna weer met vereende krachten uit te klimmen. We zakken weg in het moeras-achtige gras en  in de gaten tussen de rotsen. Langzaam voel ik de nattigheid binnen sijpelen in mijn schoenen. Over de laatste anderhalve kilometer hebben we nog ruim een uur gedaan, maar dan zien we eindelijk de vierkante stenen toren die daadwerkelijk het meest noordelijke puntje van het Europese vasteland markeert. Hoewel, eigenlijk staan we op het eiland Magerøya, welke met een ondergronds tunnel met het vasteland verbonden is. Maar goed, laten we niet te ingewikkeld doen. We gaan op een uitstekende platte rots in de zon zitten. Het is maar zeven graden boven nul, maar het is windstil en de zon warmt ons op. Ik eet een paar biscuits en brokken chocola, terwijl de honden op een botje kauwen. In de diepte tuft er een rood wit vissersbootje voorbij. De siltige geur van de zee komt in vleugjes onze neuzen binnen. Mika komt tegen me aanliggen en legt zijn zware kop op mijn been. Een diepe ontspanning neemt bezit van ons. Na een halfuurtje begin ik toch af te koelen. ‘We moeten terug,’ zeg ik tegen de honden. ‘Marte ligt in de bus op ons te wachten.’ Met tegenzin sta ik op. Mijn spieren zijn nu al verstijfd. De terugtocht kost ons eveneens drie uur, maar het lopen door dit woeste onherbergzame landschap brengt ook een soort oergevoel teweeg. Ik ben meer gespitst op de geluiden om mij heen, ik observeer de kleine details in het landschap en ik ruik de kleine veranderingen in de wind. De honden acteren daarbij als een soort baken. We zijn een eenheid samen. Vrijwel tegelijkertijd zien we een kudde rendieren in de verte. Mika en Moran trekken aan de heupriem, en ik heb moeite om op koers te blijven. ‘Nee, we gaan terug naar ons huisje op wielen.’

De volgende ochtend rijden we de laatste zeven kilometer vanaf Knivskjelodden Trail Parking naar de Nordkapp. De enorme parkeerplaats is vrijwel leeg op een twintigtal campers en één tentje na. De Nordkapp bestaat uit een plateau van zo’n 307 meter, dat hoog boven de Noordelijke IJszee uittorent. We staan nu op slechts 2080 kilometer van de Noordpool af. Er staat een soort groot stenen fort, dat de Nordkapphallen heet. De achterkant bestaat uit een glazen wand, en erbovenop staat een wereldbol. Het kost ruim driehonderd kronen om er binnen te komen. Ik vind het teveel geld, maar met dit ticket heb je toegang tot een panoramafilm, historische tentoonstelling, een souvenirswinkel en restaurant. Ik loop met de honden naar de wereldbol aan de achterzijde van de hallen, en ik laat ze poseren voor een paar foto’s.

Vanaf dit punt kijken we neer op de landtong Knivskjelodden, waar we gisteren liepen. De rotsen lijken vanaf hier helemaal niet zo schuin af te lopen. We banjeren er een beetje rond. Na de pittige wandeling van gisteren wil ik het even rustig aandoen vandaag. Vanuit onze bus op het uiterste linkerhoekje van de parkeerplaats zien we het verkeer op gang komen. Er rijden bussen met Artic Tours erop, af en aan. Mensen snellen naar buiten om met een selfiestick foto’s te maken. Daarna gaan ze snel naar binnen in de warmte van de hallen. Tegen de avond blijven er zo’n tien campers over. Hoewel er helaas geen noorderlicht te bewonderen valt, genieten we toch van een mooie zonsondergang. De oranje gloed verlicht de zijkant van de campers. Het is vijf graden boven het vriespunt. Ik maak nog een beker warme chocolademelk voor mezelf, maar het opwarmen van het water kost mijn gaskookstelletje op butaan moeite met deze temperaturen. De vlam is minder sterk en het kost meer tijd om het water te laten koken. Achterin de bus heb ik nog een paar extra gasflesjes op propaan liggen. Propaangas kan beter tegen de kou, maar het voordeel van butaangas is weer dat het een hogere verbrandingswaarde heeft. Ik sta te huppen van het ene been naar het andere om een beetje warm te blijven, terwijl het water langzaam begint te koken. Daarna zet ik het water voor mijn kruik op, maar niet voordat ik het gasflesje heb geschud. Dat helpt soms een beetje om een betere vlam te krijgen. Ik ga met deze kou wel sneller door mijn gasflesjes heen. Ik verbruik nu ongeveer twee flesjes per week, terwijl ik tijdens onze reis door Ierland en Schotland ruim anderhalve week met één flesje deed. Ik maak er nu veelvuldig gebruik van voor het zetten van extra koppen warme thee en chocolademelk, warme pap in de ochtenden en het opwarmen van anderhalve liter water voor mijn kruik in de avonden. Om acht uur klim ik al naast de honden in bed. Ik heb lang ondergoed van merino wol aan, met daaroverheen een dikke fleece trui. Verder heb ik wollen sokken aan, een buff en een muts op. Ik heb dubbele gordijnen, die ik zowel achter als bij de voorstoelen dicht trek. Er ligt een snoeihete kruik tegen mijn rug, en ik slaap onder een dubbele winterdekbed. Mika ligt tegen mijn benen aan, en Moran kruipt bij mij onder het dekbed. Een heerlijke warmte verspreidt zich door mijn lichaam. Vanuit bed zie ik nog net een puntje van het oor van Marte. Ze ligt diep weggedoken in haar zachte mand. Ik laat een waxinelichtje branden in het kleine hanglampje boven het aanreachtblokje. Het schommelt zachtjes op en neer, terwijl buiten de wind blaast.

Wij waren er…

We kijken uit over grote rotsen met ertussen een groen, geel en rood tapijt aan mossen en andere lage begroeiing. In de diepte zien we het meer Takvatnet, met eromheen de besneeuwde bergtoppen van onder andere het Ovre Dividal Nasjonalpark. Je kunt het park inrijden en de Fv173 helemaal tot het einde volgen. Vanaf de parkeerplaats lopen meerdere gemarkeerde routes, waarvan er één langs de Jerta loopt, het hoogste punt van het park. Het landschap bestaat uit bos, rivierdalen en kloven, veen en fjell.

Ik sta samen met Mika en Moran aan de rand van het park, niet ver vanaf de Sami Shop Heia. Achter het bushokje vond ik bij toeval een route de berg op. Het is een smal modderig pad op omhoog, maar zogauw je boven de boomgrens uitkomt, is het uitzicht spectaculair. We vervolgen onze route over de harde rotsachtige grond. De wind is ijzigkoud op deze hoogte. Ik draag drie lagen kleding, en heb een muts op en handschoenen aan. Mijn neus en lippen zijn schraal van de kou. Mijn gezicht en handen voelen ruw en droog aan. Ik vet alles dik in, maar bij mijn neus is de huid kapot, en begint het te schrijnen. We stappen stevig door. Elke keer wanneer we denken het hoogste punt te hebben bereikt, zien we een stukje verder een topje dat weer net iets hoger ligt. ‘Daar stoppen we,’ zeg ik tegen de honden, wijzend naar een grote hoop stenen in de verte. Mika en Moran rennen voor me uit. Op deze kale hoogte mogen ze wel even van de riem. Trots staan ze met hun neuzen in de wind. Mika plast tegen de stenen toren aan. ‘Dan weten ze tenminste dat je hier bent geweest,’ zeg ik tegen hem.

Op zoek naar het Vestfjord Panorama

We rijden weer op de E6. Soms kom ik ogen tekort om naar al dat natuurpracht om ons heen te kijken, en tegelijkertijd mijn ogen op de weg te houden. We rijden langs talloze fjorden, met daarachter hoge bergen en rotspartijen. De tussenliggende dorpen worden steeds kleiner en sporadischer. Met de gekleurde huizen doet het bijna Alaskaans aan. Vooral, wanneer je dan ook nog iemand met een groot geweer over zijn schouder doodgemoedijk langs de weg ziet lopen.
We rijden, met aan de linkerkant de imposante rotsige pieken van Sjunkhatten Nasjonalpark, en rechts de diepe kloven en granietblokken van Rago Nasjonalpark. Dit park grenst aan het Zweedse Sarek, Stora Sjofallet en Padjelanta, waar we het jaar ervoor nog hebben gewandeld en werden gebracht door de man met zijn bootje.

Aangekomen bij Bognes zie ik dat de ferry naar Skarberget tot eind maart volgend jaar niet vaart. Maar hoe kom je dan bij de Nordkapp? Tegenover het haventje zie ik een restaurant en besluit het daar maar te gaan vragen. ‘Zo’n veertig minuten terug staat er een bord langs de weg, die je verwijst naar Drag, van waar een ferry naar Kjopsvik gaat,’ zegt de vrouw van het restaurant. Ik knik. Ik heb inderdaad een bord met een kruis door de plaatsnaam Narvik zien staan, maar daarna weer niet, dus ik dacht dat het een vergeten bord na wegwerkzaamheden was. De vrouw vraagt rond in het restaurant wat ik nu het beste kan doen. ‘Neem vanaf hier de ferry naar Lodingen. Die doet er een uur over, maar dat is beter dan dat je een heel stuk terug moet rijden,’ adviseert ze. Ik ga met de bus in de wachtrij voor de ferry staan, die om het uur naar Lodingen gaat. De honden zijn de overtochten per boot inmiddels gewend, en blijven rustig zitten, terwijl ik mijn tas pak en de schuifdeur achter me dicht trek. Er is een kleine deining op het water, en donkere wolken pakken zich samen over de bergen. De zon probeert uit alle macht erdoorheen te schijnen, en een paar stralen lijken nog de oppervlakte van het water te raken, waardoor er een soort schouwspel tussen licht en donker ontstaat. Donkere schaduwen racen over het water.

Aangekomen in Lodingen, draai ik naar links en rijd zo’n tien kilometer naar het einde van het weggetje toe. Het is een klein parkeerplaatsje dat tegen een beboste rotsige helling ligt. Er is verder niemand, en alles oogt donker en verlaten. Toch zou even verderop het Vestfjord Panorama moeten zijn. We lopen langs een soort poortwachtershuisje, dat gifgroen is geverfd. Er hangen verbleekte groengeblokte gordijnen voor de vierkante ramen. Er staat een witte plastic tuinstoel op de veranda, alsof de poortwachter even is opgestaan en zo weer terug is. De slagboom staat schuin omhoog, en ernaast een kromhangende lantaarnpaal. We lopen verder en lijken op een soort bedrijventerrein terecht te komen. Er staan verouderde gebouwen en loodsen. Mijn humeur wordt er niet beter op. Nou, waar is dat panorama? We lopen nog een stukje verder, en kunnen inderdaad in de verte het blauwe water van het 155 kilometer lange vestfjord van de Lofoten net een beetje zien. Het zicht wordt belemmerd door grote betonnen bunkers, die in de rotsen zijn gebouwd. Ze zijn dichtgemetseld en overgroeid met planten. Het valt me allemaal een beetje tegen. Voor Marte is dit loopje ver genoeg, en we keren terug over het bedrijventerrein. Hoewel ik het niet de meest prettige plek vindt, is het al tegen acht uur in de avond, en heb ik geen zin om nog iets anders te zoeken. ‘Kom jongens, we gaan lekker vroeg naar bed.’

Het miezert een beetje de volgende ochtend. Het is voor het eerst sinds ik in Noorwegen ben dat het regent. De wolken hangen laag over de bergen, en alles oogt donker en grauw. Maar de honden moeten naar buiten. ‘Kom, we gaan dat Vestfjord Panorama ontdekken,’ zeg ik tegen ze. We volgen de route naar Skjavika. Het is een prachtige rondwandeling langs het fjord. Het stopt met regenen, en de zon komt achter de wolken vandaan en kleurt het water ijzigblauw. De geel en rode herfstkleuren zijn aan de oevers en achterliggende bergen te zien. Huizen staan her en der verspreid aan de voet van de bergen, uitkijkend over het water. Verfrist komen we terug van onze wandeling.

Ontmoeting met rendieren

‘We doen nog een laatste wandeling op de poolcirkel, en daarna gaan we weer verder,’ zeg ik tegen de honden. Ze staan alweer met hun neuzen de kant van de bergen op. Na twee dagen bij het Arctic Circle Centre te hebben gestaan, wil ik vandaag wat langer rijden om de ferry bij Bognes naar Skarberget te halen, en zo de E6 te kunnen vervolgen richting de Nordkapp.
Ik loop met de honden over het parkeerterrein en gaan via het tunneltje onder de E6 door. Daarna klimmen we omhoog langs een klein steil paadje, en steken het spoor over. Af en toe horen en zien we vanaf de parkeerplaats een trein voorbij komen, die altijd even fluit wanneer hij passeert. We klimmen nog hoger met ons zicht op de besneeuwde bergtoppen voor ons. Naast ons stroomt een riviertje. Het water klettert op de gepolijste stenen. De zon schijnt, maar het is hooguit tien graden. Ik heb drie lagen kleding aan, hoewel ik al snel de eerste laag uittrek en in mijn rugzak prop. ‘Oh nee, niet weer.’ Mika steekt zijn neus hoog in de lucht. Gisteren liepen we over een klein karrespoor vanaf Arctic Circle Centre de andere kant op tot aan de Zweedse grens. Deze was verder nergens gemarkeerd, maar was te zien op GoogleMaps. De Saltfjellet gaat in principe over in de Pieljekaise Nationalpark in Zweden, waar ik nog een wandeltocht met Mika heb gemaakt. We stuitten vlakbij de grens op een kudde rendieren, die al snel achter de puntige rotsen in de bergen verdween. Nu zien we weer een tiental rendieren vlak boven ons. Mika begint te huilen, en Moran gilt er met lange uithalen doorheen. We zien de dieren langs een steenveld richting het zuiden lopen, maar dan maken ze een bocht en komen regelrecht op ons af. Ze lijken net zo verbaasd om ons er aan te treffen, als wij hen. Ze kijken eerder nieuwsgierig dan angstig naar ons. Het is een bonte verzameling aan zwart, wit, bruin en grijs gekleurde vachten. En allemaal dragen ze, in tegenstelling tot andere hertachtigen, een gewei. Van dichtbij zijn ze een stuk groter, en Moran houdt snel haar mond en kijkt de andere kant op. Ze doet net alsof ze ze niet ziet. Mika is ook even uit het veld geslagen, maar herstelt snel en stoot een wolvenbrul uit. De rendieren maken rechtsomkeert, en verdwijnen dit keer richting het noorden. ‘Wij gaan ook terug,’ zeg ik tegen de honden. Ik wil niet hoger over een steenveld klimmen, en zeker niet nu ze onrustig aan de heupriem trekken.

Op weg naar het noorden

We staan met de bus op een parkeerplaatsje bij Rognsmoen aan de rand van Blåfjella-Skjækerfjella Nasjonalpark, één van de grootste parken van Noorwegen. Het is een buitengewoon woest gebied, met hoge bergen, veel meren, moerassen en rivieren. Er komen veel soorten grote zoogdieren voor, waaronder de poolvos, bruine beer, lynx, veelvraat en de wolf. Het parkeerplaatsje wordt omgeven door dennen, en we kijken tegen een hoge rotswand aan. Er staat een picknicktafel, een vuilnisbak en een bord met uitleg het gebied. We hebben er een flinke rit van ruim vijf uur opzitten, maar we zijn in ieder geval de stad Trondheim gepasseerd.
Aan het begin van de avond lopen we de Rognsmoen natur og kultursti rundtur, een aangegeven rondwandeling van hooguit een uurtje. Langs de route staan bordjes met uitleg over het gebied. Het schijnt van historische waarde te zijn, met een grafheuvel en restanten van huizen en een weg uit de Neolithicumse steentijd.

Mosjoen is een klein stadje dat tussen de bergen, de Vefsnfjorden en de Vefsna rivier ligt. Het is vooral bekend om de wijk Sjogata, waar de negentiende eeuwse gebouwen goed bewaard zijn gebleven.
Wij staan de volgende dag met de bus aan de overkant van het fjord tegen de imposante wand van de Oyfjellet aan. Achter ons staat helaas een klein bedrijventerrein, maar vanuit de bus kijken we over het water op de vrolijk gekleurde negentiende eeuwse huizen van Mosjoen.

Halverwege de middag beklim ik samen met Mika en Moran de Helgelandstrappa, een stenen trap bestaande uit meer dan drieduizend treden. Het schijnt één van de vijf mooiste bergtrappen in Noorwegen te zijn. De route is drie kilometer, dus ik denk in een uurtje boven te zijn. Het zijn grote stappen, en al snel voel ik het in mijn benen. De honden hoppen voor mij uit, maar zelfs zij lijken moeite te hebben met de steile klim. Ik zie soms een achterpootje trillen van de inspanning. Langzaam klimmen we het dal uit, en komen we boven de bomen. De uitzichten op het stadje, het fjord en de omliggende bergen zijn prachtig. Grote stenen en rotsblokken domineren de omgeving. We zijn een uur verder, en we hebben pas anderhalve kilometer gelopen. ‘Nog anderhalve kilometer te gaan,’ kreun ik inwendig. Elke dertig stappen moet ik stoppen, en leun ik voorover om op adem te komen. We zijn bijna bovenop de Oyfjellet, wanneer ik zestal sherpa’s tegenkom, die nog aan het laatste stuk van de trap werken. Hun gereedschap is eenvoudig, en bestaat vooral uit grote doeken en touwen om de stenen te verslepen en op hun plek te leggen. Wat een kracht moeten deze mensen hebben. Het is al tegen zessen, en ze staan op het punt om ermee te stoppen. In alle rust en met een glimlach op hun gezicht lopen ze de trap af naar beneden. Bijna kreunend loop ik het laatste stukje naar de top. In de harde koude wind kijken we naar de besneeuwde bergtoppen om ons heen. De gewervelde bergruggen liggen voor ons in een blauwe waas. Er komt een man naast ons staan. Duidelijk gewend aan het wandelen in de bergen, want hij is nauwelijks buiten adem. Ik vertel dat ik in twee tot drie weken helemaal bovenin Noorwegen wil zijn. ‘Doe er hooguit nog één tot anderhalve week over,’ zegt hij. ‘De sneeuw komt eraan. Ik voel het,’
We krijgen het al snel koud, en beginnen aan onze afdaling. De man loopt ons met grote stappen voorbij en verdwijnt al snel uit het zicht. Ook al doen we er niet zo lang over als de heenweg, de grote stappen naar beneden zorgen voor brandende kuiten. Drie uur later slepen we ons de bus in, en liggen al snel in een diepe uitgeputte slaap.

We rijden weer een paar uur verder richting het noorden. Aan het einde van de middag parkeren we bij het Arctic Circle Centre. We staan op een grote open vlakte in Saltfjellet – Svartisen Nasjonalpark, dat tot één van de grootste nationale parken van Noorwegen behoort. Het landschap is enorm gevarieerd, van bergformaties met gletsjers tot aan beboste valleien. Een groot deel van het park bestaat uit de Svartisen gletsjer, de op één na grootste gletsjer van Noorwegen met maar liefst zestig gletsjertongen, dus uitlopers.
Hier steken we de poolcirkel over. De cirkel verwijst naar de zon, die middenin de zomer niet meer ondergaat en halverwege de winter niet meer opkomt. We beginnen de kou hier wel te voelen. Het is dertien graden, en er staat een koude wind. We eten in onze bus met de deur dicht.

Een aardige Noor…

Er staan allemaal jagers met geweren wanneer ik het parkeerterrein van Utsiktspunkt Snohetta oprijd. Het terrein is omgeven door bergen. Ik parkeer in een hoek, zodat de honden aan de lange lijn in het gras kunnen liggen. Zij krijgen hun ontbijt, terwijl ik een grote beker warme chocolademelk drink, zittend op een steen in de zon. De jagers spreiden zich uit over het terrein, en verdwijnen al snel in de bergen. Ik ben benieuwd waar ze op gaan jagen.
Het uitzichtpunt is een halfuurtje lopen en geeft een fantastisch uitzicht over de besneeuwde bergtoppen en de hoogste berg van Dovrefjell Sunndalsfjella Nasjonalpark, Snohetta (2286m). Het imposante bergmassief tekent zich donker af tegen de omliggende witte bergtoppen en de lage witte bewolking. De glooiende vallei, die ervoor ligt, laat alle kleuren groen zien in een mooie gestroomlijnde golfbeweging, alsof de zee er nog kort geleden overheen gespoeld is. Aan de andere kant van de berg dalen we weer langs een klein wandelpad naar beneden. Hoewel we er niet mogen overnachten, besluit ik de dag hier door te brengen. Nog vermoeid van de dag ervoor, slapen we een paar uur in de middag.

Tegen zessen loop ik samen met Mika en Moran de berg op aan de andere kant van het terrein. De uitzichten zijn adembenemend, met de laatste zonnestralen die nog net de achterliggende bergen weet te verlichten tegen de donker wordende avondlucht. Op de terugweg steekt Mika continu zijn neus in de lucht. Hij ruikt iets, en ik voel de spanning op de lijn. Op het parkeerterrein lopen een tiental jagers, en ook zij lijken te wachten op iets. Mika wordt steeds nerveuzer, en kijkt om zich heen. Er klinken geweerschoten. De honden zitten nu doodstil. Dan zien we een kudde rendieren tegen de berg oprennen. De bosjes kraken, en we horen het gesnuif van opengesperde neusgaten en het getrappel van hoeven op de harde grond. Opnieuw klinken er geweerschoten. De dieren rennen in paniek een andere kant op, maar lijken te zijn ingesloten door de jagers. Mika en Moran breken in een langgerekt gehuil uit. Ze trillen over hun hele lijf, en rukken uit alle macht aan de lange lijn, die gelukkig vastzit aan de stalen poten van de voorstoel. ‘Doe die honden naar binnen,’ klinkt er een boze stem. Een man in een donkerblauw uniform komt hard op mij aflopen. ‘Ik kom net terug van een wandeling,’ zeg ik tegen hem. ‘Ze moeten naar binnen,’ herhaalt hij nog bozer. ‘Ja, kalmeert u een beetje.’ De man neemt een paar stappen naar mij toe. ‘Wat zei je daar?’ ‘Dat ik ermee bezig ben.’ Hij blijft vlakbij de bus staan. ‘Je moet hier snel weg,’ zegt hij met een lage dreigende stem. ‘Ik zou hier ook niet willen blijven,’ zeg ik terwijl ik de schuifdeur hard voor zijn neus dichtsla. Met de rennende dieren op mijn netvlies rijd ik voorzichtig de berg af. Even verderop ligt de parkeerplaats Joroskloppa, van waar meerdere wandelroutes lopen aan zowel de Rondane als de Dovrefjell kant. Ik parkeer met uitzicht op de rivier, de vallei en de bergen van Drivdalen. Ik geef de honden wat extra brokken, en voor mijzelf maak ik een beker warme chocolademelk met een flinke scheut caramellikeur. Langzaam komen we tot rust.

De volgende ochtend zit ik na een korte plasronde, ondanks dat het maar tien graden boven nul is, in het vroege ochtendzonnetje te ontbijten, wanneer de één na de andere auto het parkeerterrein komt oprijden. Er stappen allemaal jagers met geweren uit. ‘Dit kan niet waar zijn,’ zeg ik tegen de honden, die meteen gespannen rechtop zijn gaan zitten. De man in het donkerblauwe uniform, die gisteren tegen mij stond te schreeuwen, is ook weer van de partij. Even wil ik meteen instappen en wegrijden, maar ik bedenk me. Nee, ik heb een mooie route gepland, en die ga ik straks lopen. Gelukkig gaan de jagers de andere kant op.

Een paar uur later lopen we over een smal pad bovenop een uitgestrekt bergplateau. Aan weerskanten van het pad groeit lage struikheide en grote dotten lichtgroen korstmos. Hier en daar staan wat kleine berken met dunne gekromde stammetjes. In de verte zijn de besneeuwde bergtoppen van Dovrefjell Sunndalsfjella Nasjonalpark te zien. Het natuurgebied wordt vaak liefkozend het dak van Noorwegen genoemd en is de beste plek om muskusossen in het wild te zien. Een bordje aan het begin van de route waarschuwt ervoor om de ossen uit de weg te gaan. Mochten ze je toch aanvallen, dan is het je eigen schuld, staat erbij. Fijn volk, die Noren.

Na anderhalf uur lopen zien we het witte gebouw schuin tegenover het oude treinstation van Kongsvold. Daarnaast ligt de botanische tuin met een unieke verzameling van arctische bloemen en planten. Het park ligt niet ver van de poolcirkel, en dat zorgt ervoor dat je hier unieke planten en diersoorten tegenkomt.
Bij Kongsvold steken we de E6 over en klimmen hier weer omhoog. Daarna lopen we weer een prachtig stuk over een bergplateau met uitzicht op de bergketen van Dovrefjell. Af en toe kom ik een andere wandelaar tegen, en ga dan zodanig met  de honden staan zodat de ander makkelijk kan passeren. Ik probeer oogcontact te maken, maar er kan nauwelijks een groet of een dankjewel van af. Wat een verschil met de mensen in Zweden of in England, waar men vrijwel altijd groette of een praatje maakte. ‘Ik hoop dat ik nog een aardige Noor tegenkom,’ verzucht ik tegen de honden.

Opeens zie ik een groepje jagers zo’n dertig meter boven me op een richel staan. De man in het donkerblauwe uniform staat erbij. ‘Nou word ik gek,’ mompel ik. Ik negeer de groep en kijk bewust de andere kant op, maar ik voel hun ogen in mijn rug wanneer ik voorbij loop.
Drie en een half uur later zijn we terug bij de bus. De honden gaan in het gras liggen, terwijl ik me laat opwarmen in het zonnetje. ‘Mag ik je honden aaien,’ vraagt opeens een stem. ‘Ja, natuurlijk.’ Een man met een lange baard knielt neer en aait de honden. We raken in gesprek. ‘Ja, de Noren zijn wat moeilijk benaderbaar,’ erkent hij. Na nog een kop thee te hebben gedronken, nemen we afscheid. ‘Kom je me opzoeken op mijn boerderij aan de westkust?,’ vraagt hij. ‘Ja, dat beloof ik.’