Ik parkeer de bus bij Cavao de Ametade in het natuurgebied Serra da Estrela, dat in de luwte van de Torre ligt. Met haar 2351 meter is de Torre de hoogste berg van Portugal.

We laten Marte rustig slapen in de bus, en volgen een pad richting de Torre. We lopen eerst langs een klein riviertje door een dal tussen de witte stammen van kale berkenbomen. Een meneer in wandelkleding en met een houten wandelstok, waarop hij met zijn rechterhand steunt, komt ons tegemoet en vertelt dat hij in het dorp hieronder woont en hier vaak wandelt. ‘De rivier begint daar,’ zegt hij, terwijl hij naar boven wijst. ‘Drie weken geleden lag het hier nog vol met sneeuw.’

Algauw begint de steile klim omhoog. Het pad is nauwelijks zichtbaar, en we volgen de stenen torentjes die hier en daar geplaatst zijn. Ik grijp met beide handen de uitsteeksels van rotsen vast en trek me omhoog. We springen van steen naar steen. We laten het dal achter ons en lopen tussen twee bergkammen door een volgend dal in. De Torre strekt zich recht voor ons uit. In de spleten van de berg ligt nog sneeuw. Het wit steekt fel af tegen het donkere gesteente.

Bovenop een bergkam tegenover de Torre blijven we even staan en genieten van het indrukwekkende uitzicht op deze hoogte.
Daarna gaan we dezelfde weg terug. ‘Ik kan straks na veertig jaar de spagaat weer,’ mopper ik tegen Mika, terwijl hij op een afstand mijn geklungel verwonderd bekijkt. Hij springt als een berg geitje van steen naar steen. Ik voel mijn heupen branden en de schokken van het dalen in mijn rug. Ik zweet, maar de koude bergwind verkoelt onmiddellijk.

Aan het einde van de middag verdwijnt de zon achter de berg, en het wordt meteen een stuk kouder. We hebben nog niet eerder overnacht op bijna tweeduizend meter hoogte. Ik pak mijn tweede winterdekbed erbij en leg deze dubbelgevouwen over me heen. Met een warme kruik tegen mijn rug en Mika gedrapeerd over mijn benen vallen we in slaap op het ritme van het stromende riviertje naast onze bus.

