Morgen word ik wakker wanneer het licht wordt, nam ik me gisteravond voor. Ik ben van plan om zo vroeg mogelijk te vertrekken naar het populaire Land’s End, om zo de ergste drukte voor te zijn. Ik open mijn ogen en zie door het dakraampje dat het net een beetje licht begint te worden. Mijn klokje boven het aanrechtblokje geeft vijf uur in de ochtend aan. Met tegenzin klim ik uit bed en kleed me aan. De honden kijken slaperig toe. Daarna open ik de gordijnen. We worden omgeven door een dikke mist. Ik open de schuifdeur en de honden springen naar buiten. De bus druipt aan de buitenkant van het vocht. Ik strijk eroverheen met mijn vinger en proef. Het is zout, de zeenevel die aan de kust landinwaarts trekt.
Om zes uur vertrekken we uit Lizard Point, en een uurtje later komen we aan in Land’s End, het meest zuidwestelijke puntje van Engeland. We rijden langs een stel kleine poortjes en komen op een enorm parkeerterrein terrecht. Vanaf acht uur moet je betalen staat erop een bord. ‘Kom jongens, we hebben maar een uur.’ Alle drie springen uit de bus en samen lopen we door een soort winkelstraatje naar de markering Land’s End. Het blijkt een minuscuul bordje te zijn, waar een touw voorhangt. Ook hier moet je betalen om een foto te nemen. Een toevallige voorbijganger biedt aan om een foto te maken.

Langs de groene rotsige kust lopen we naar het kustplaatsje Sennen, dat tegen de hoge rotswand aan zee is gebouwd. We beginnen de wandeling met een grijzige ochtendlucht, en eindigen een uurtje later met de zon die de zee en haar schuimende golfkoppen helder verlicht. Via een rondwandeling keren we terug naar Land’s End. Het is inmiddels tegen tien uur in de ochtend en het toerisme komt op gang. Er staan rijen auto’s voor de witte poortjes en er klinkt muziek uit het winkelstraatje. We stappen snel in de bus en rijden weg langs de file die zich inmiddels gevormd heeft naar Land’s End.



