We rijden over een alsmaar smaller wordend weggetje Galloway Forrest Park in. Het regent sinds we de grens bij Schotland zijn overgekomen, en dan ziet alles er meteen een beetje troosteloos uit. We parkeren aan het einde van het weggetje bij Upper Bruce Stone Car Park. Er staan maar een paar auto’s en een klein busje. Dat is in ieder geval al een heel verschil met Lake District, die tegen de tijd dat wij vertrokken alweer helemaal vol stond met auto’s. De natuurgebieden in Schotland zijn minder bewoond en ogen ruiger dan die in Engeland. De honden kunnen hier tenminste weer van de lijn en rennen vrij rond.
Later op de avond maken we een klein rondje naar Loch Trool, het meer dat we beneden in de vallei zien liggen. We pakken een paadje dat dwars door het bos loopt. Marte loopt dapper mee over de grote keien. Het is dichtbegroeid met oude eiken en beuken. Onder de bomen groeien struiken en varens. Er liggen grote met groen bemoste stenen, en dikke strengen mos klimmen omhoog langs de stammen van de bomen. Aan alles is te zien dat hier veel regen valt. Binnen een halfuurtje hebben we het meer bereikt. De honden neuzen wat rond langs de oevers en in het heldere water. Het begint weer lichtjes te regenen, en we lopen terug naar de bus.




De volgende ochtend open ik de schuifdeur, en we worden meteen overvallen door een leger aan kleine zwarte steekvliegjes, de zogenaamde midgets. Binnen een mum van tijd ziet het zwart van de vliegjes in de bus. Ik trek een jas aan, doe handschoenen aan en een muts op, maar ze kruipen in mijn neus, oren en ogen. Zelfs ademen wordt lastig, en voel ik ze in mijn keel. Zonder te ontbijten sluit ik de bus met een klap en sprinten we de berg op. Gelukkig laten we de vliegjes al snel achter ons. We volgen de route naar de Merrick, een berg in de Range of the Awfull Hand, welke een deelgebied van de Galloway Hill-reeks is. De top is 843 meter hoog, en is daarmee de hoogste berg in de zuidelijke hooglanden van Schotland. Het is een oneven pad met veel stenen, waarlangs veel water loopt, gezien ook de grote hoeveelheid regen van afgelopen nacht. We klimmen een steil stuk door een naaldbos. Links van het pad heeft grootschalige houtkap plaatsgevonden. Diepe bandensporen lopen langs de heuvel. De overgebleven stronken steken als grafstenen uit de grond. Het is doodstil, en zelfs de vogels leggen er het zwijgen toe. We laten het gehavende bos achter ons en klimmen nog hoger. Kale heuveltoppen zijn rondom ons te zien met daartussenin in meren als kommetjes water. De bewolking hangt laag en raakt hier en daar de toppen van de heuvels. Na een laatste steile klim over gladde stenen en drassig gras denk ik de top van de Merrick te hebben bereikt, maar dan zie ik het pad naar de volgende nog hoger gelegen berg lopen. Ik kijk op mijn kaart en zie dat we op de top van de Benyellary van 719 meter hoog staan. We moeten nog ruim honderd meter hoger. Ik kreun inwendig, want we lopen al een paar uur en de donkere bewolking geeft aan dat er weer regen op komst is. ‘Nog een klein stukje,’ zeg ik tegen de honden. ‘We zijn er bijna.’ We lopen eerst weer een stuk naar beneden van de Benyellary, om daarna weer te steigen op de Merrick. De top is in zicht wanneer het begint te regenen. Ik trek mijn poncho aan en loop verder. Nog geen tien minuten later begint het te hagelen. Moran probeert zich te verstoppen onder mijn poncho, en Mika kijkt me smekend aan terwijl het water langs zijn oren druipt. ‘Oké, we stoppen.’ Hoewel we nog maar een kwartiertje lopen van de top zijn, wil ik niet dat de honden eronder lijden. Het moet leuk voor ze blijven. Met grote passen glibber ik langs het pad naar beneden. Een halfuurtje later komt de zon weer tevoorschijn, en ik kijk achterom naar de Merrick. De top is nog steeds onzichtbaar in de donkergrijze wolken. Terug bij de bus wrijf ik de honden droog met een handdoek, en leg mijn natte kleding te drogen over de voorstoel. Daarna kijk ik naar de door de regen doorweekte mensen, die van de berg afkomen, terwijl ik in mijn droge huisje geniet van een bord warme pap.





