We gaan weer vroeg op pad, en dit keer kies ik ervoor om over de Ballaghasheen Pass en de Ballaghbeama Gap te rijden. Uiteraard weer een klein weggetje, maar met prachtige vergezichten.


Vlak voordat we bij Kerry Cliffs aankomen, stop ik aan de Skellig Ring bij nog een Wild Atlantic Way Discovery Point. Ik ga er vanuit dat het vrij toeristisch is bij Kerry Cliffs, dus ik kan maar beter eerst hier een wandeling mef de honden maken. We klimmen tot tot bovenop de heuvel, en hebben vanaf daar een mooi uitzicht op de kustlijn rondom Kerry Cliffs en zien zelfs een groot gedeelte van Valantia Island liggen.



Kerry Cliffs blijkt ook weer onder particulier bezit te vallen. Een kaartje kost vijf euro. Voor vijftien euro mag je er ook blijven overnachten op het terrein. Er staan toiletten, en een karretje dat zelfgebakken scones en wat snoep verkoopt. De grijswitte gelaagde kliffen tornen op meer dan honderd meter boven de zee uit. Groene grassen groeien tussen de lagen. Boven de harde wind hoor ik de golven stuk slaan op de lange stenen uitlopers, die langzaam in de zee lijken te verdwijnen. Erboven vliegen de krijsende meeuwen. In een duikvlucht scheren ze langs de kliffen omlaag. Ik zweef mee op de wind en de golfslag van de zee.



Aan het einde van de middag kom ik aan bij een parkeerplaatsje dat op de klif boven Coumeenoole Beach ligt. Het staat nog helemaal vol met auto’s. Ik wurm mijn bus erlangs en parkeer in de lengte langs het weggetje, dat doodloopt op het strand. Coumeenoole Beach is omgeven door kliffen. Er zijn flinke golven, waarvan het geluid weerkaatst tegen de hoek waarin het strand zich bevindt. Bovenop de klif, in de luwte van de achterliggende heuvels, staan een tiental huizen. Ik wil met de honden het stukje naar Dunmore Head lopen, maar ook hier staat weer een bord dat honden niet verder mogen.



Dunmore Head is een voorgebergte in het meest westelijke deel van het schiereiland Dingle, en is tevens het meest westelijke plekje van Ierland, en dus Europa. Tegen de avond neemt de drukte af, en blijf ik samen met drie andere campers over bovenop de klif. Het begint te schemeren, en inmiddels is het eb geworden. Het strand blijkt tot aan de andere hoek van de baai te lopen. Ik daal met de honden de klif af, en we lopen over het natte zachte zand. Er stroomt een klein watertje langs de rotsen de zee in. De honden drinken ervan. Vanaf het strand zien we de zon langzaam achter de kliffen verdwijnen. Het laat een zachte roze glans op het water achter, en de bus bovenop de klif baadt in een oranje gloed.



Terug bij de bus, leg ik de honden vast aan de lange lijn voor de open schuifdeur. Ik klim de heuvel van Dunmore Head op. Binnen een kwartiertje bereik ik het stenen huisje dat dient als uitkijkpunt. Het is tien uur ’s avonds en de zon is bijna onder. De laatste rotspunten van Dunmore Head lossen op in de mist en de zee. Het lage zonlicht strijkt eroverheen, en geeft het daarmee een bijna mystieke fonkeling. Ik adem diep in, en ben blij dat ik alleen en in stilte op dit punt mag staan.





