De wind rukt hard aan de bus. We schudden heen en weer. Vanaf bed zien we door de achterraampjes van de bus de witte schuimkoppen van de golven het strand oprollen, en we horen het bulderen van de zee. Aan weerskanten van het strand lopen schuine grashellingen af naar donkere rotsen toe. De lucht is witgrijs, en af en toe regent het. Door de voorruit van de bus zien we een glooiend landschap met her en der witte boerderijtjes. Bij sommigen brandt een lichtje. We staan op een klein parkeerplaatsje aan Red Strand Beach, dat aan een stil weggetje ligt. Er staat één ander klein blauw camperbusje. Af en toe zie ik iemand, gebogen tegen de wind en de regen, de hond uitlaten op het strand. Maar verder is het stil.

We kwamen hier pas om half acht in de avond aan. De rit vanaf Knockmealdown Mountains duurde maar liefst vier uur, en halverwege heb ik boodschappen gedaan. De bus is weer gevuld met vers fruit en groenten, twintig kilo hondenbrokken, achtien toiletrollen, koek, chocola en een kilo kaas. Ik heb net een chocoladebroodje en een roombroodje op, en weggespoeld met een kop warme thee. Daarna laat ik de honden nog even rennen op het strand. Het wordt vloed. De wind blaast nog steeds hard, en de golven volgen elkaar snel op. Bij de bus klop ik nog wat matjes, dekens en de hondenmand uit. Het zand zit overal, tot in mijn ondergoed, merk ik wanneer ik me uitkleed. ‘Nou, weltrusten jongens,’ zeg ik tegen de honden, terwijl ik nog wat zand uit mijn oor peuter, en de bus onophoudelijk blijft schudden in de wind.



De volgende ochtend word ik al om vier uur wakker. Door het dakraampje zie ik dat het net een beetje licht wordt. Het waait nog steeds, maar het regent niet meer. Ik voel me een beetje misselijk. Ik weet niet of dat van het schudden van de bus komt, en dat ik als het ware zeeziek ben, of dat het roombroodje van gisteravond niet goed gevallen is. De honden slapen in ieder geval rustig door. Moran ligt half onder het dekbed stijf tegen me aangedrukt met haar kop in mijn schoot. Ik open het gordijntje van de achterdeur en kijk naar het ritmische bewegen van de golven. Om zeven uur zijn de eerste hondenuitlaters er alweer. Mika en Moran willen nu ook naar buiten. Knarsend gaat de schuifdeur open. Daar zit dus ook al zand tussen. Hetzelfde geldt voor het raampje dat ik opendraai. Knarsend gaat het met moeite omlaag. De honden spelen met de andere honden op het strand, hoewel ze niet te dicht bij de bus mogen komen van Mika. Dan gaat zijn lip omhoog en gromt hij. Marte loopt net een huppeltje en rolt in het zand. Moran vliegt heen en weer als een drukke kleuter, totdat Mika haar uiteindelijk corrigeert met een flinke snauw.

Halverwege de ochtend loop ik samen met Mika en Moran naar Galley Head Lighthouse. Het is een prachtige wandeling langs kleine weggetjes. En het is er een stuk minder druk vergeleken met de omgeving bij Hook Head Lighthouse. We kijken uit over een groen landschap met witte huisjes en daarachter de blauwe zee. Restanten van half afgebrokkelde stenen huisjes doen herrinneren aan een vroegere tijd. Koeien en hun kalveren staan rustig te grazen met uitzicht op zee. De bermen staan hoog met allerlei soorten grassen en geurige bloemen en kruiden. Wanneer we aankomen bij de vuurtoren snap ik ook meteen waarom het zo stil is, want deze is niet toegankelijk voor publiek. We kunnen er alleen op een afstandje naar kijken. We lopen over een klein paadje langs de rotskust, maar ook deze houdt er al snel mee op. Aan de ene kant begrijp ik het wel. Als omwonende zou ik ook niet die drukke taferelen zoals bij Hook Head Lighthouse willen hebben. En eigenlijk vind ik het gebied hier veel mooier dan op zo’n toeristisch punt.









