We verlaten de camping in de stromende regen. Het voelt altijd even raar om weg te gaan, nadat je ergens voor een paar dagen hebt gestaan. Behalve het regelen van praktische zaken, zoals het doen van de was, aanvullen van water, douchen en contacten oppakken via een goed WiFi verbinding, voelt een vaste plek voor even veilig en geeft een vorm van stabiliteit tijdens de vaak snel veranderende omstandigheden van het reizen.
Na een halfuurtje bereiken we al Connemara National Park. Omdat het nog steeds regent, blijf ik nog een uur in de bus zitten lezen, terwijl Mika en Moran verwachtingsvol naar mij zitten te kijken. ‘Nog even wachten,’ zeg ik meerdere keren tegen ze. Aan het einde van de ochtend begint het weer op te klaren, en schut ik eerst al het natte zand uit de matjes, dekens en de hondenmand. Het lucht altijd op wanneer de bus voor mijn idee weer een beetje schoon is. Met een doekje veeg ik de modderspetters van de deurtjes, het bankje en de achterkant van de voorstoelen. Gelukkig is ons huisje op wielen maar klein, en dan is het ook weer snel opgeruimd en schoon. Mika en Moran staan ongeduldig te wachten. Die poetsende moeder hebben ze al zo vaak gezien, maar gelukkig gebruikt ze niet die lawaaierige stofzuiger meer. Precies om twaalf uur gaan we dan eindelijk op pad. Er zijn drie gemarkeerde routes, waarvan wij de rode route pakken, die over Diamond Hill loopt. De zon begint te schijnen, en hoe hoger we komen, hoe mooier het uitzicht over de schilderachtige bergen, uitgestrekte veengronden, heidevelden, weilanden en bossen. In de verte zien we de baaien en de Atlantische Oceaan. Het laatste stuk is steil over grote stenen, maar binnen een uurtje hebben we toch de top van Diamond Hill bereikt. Vanaf daar hebben we goed zicht op onder andere de Benbaum, Benbrack en Bencullagh, die allemaal deel uitmaken van de beroemde Twelve Ben’s van de Beanna Beola-keten. We staan in de harde wind, en eten en drinken snel wat. Daarna dalen we aan de andere kant van de berg naar beneden.







