Een stukje verleden van Marlin Beg

‘Dit gebied was al bewoond rond het jaar zeshonderd,’ zegt de man terwijl hij voorover met zijn onderarmen op het stuur van zijn quad leunt. ‘Het waren monniken. Wanneer zij niet voldeden aan alle geschriften, werden ze voor zeven jaar verbannen naar dat eiland,’ wijst hij naar een rotsig eilandje iets verder van de kust af. Ik kijk en kan net een witte toren op de hoogste rots ontwaren. ‘Dat lijkt mij eigenlijk wel lekker rustig,’ wil ik zeggen. Maar misschien idealiseer ik dat iets teveel. Altijd maar op hetzelfde kleine eiland, ook met slecht weer en onder waarschijnlijk niet al te beste leefomstandigheden is dan misschien toch niet zo heel leuk.

Ik kijk weer naar de man.’ U woont hier al lang?,’ vraag ik hem. ‘Ik ben nu al bijna zeventig en woon hier al mijn hele leven.’ Zijn gezicht is bruin en verweerd. Hij draagt een oude versleten broek, een gevlekte wollen trui en muts ver over zijn oren getrokken. Samen kijken we naar de kleine baai, dat verscholen tussen de rotsen ligt. De donkere plekken zeewier zijn goed te zien in het heldere water. Er dobbert een klein bootje. ‘Ik kom hier elke avond even kijken naar mijn boot,’ zegt hij trots. Een steil pad van kleine keien loopt omhoog langs de heuvel. ‘Vroeger trokken de paarden de visvangst omhoog over dese kleine keien, zodat ze niet zouden uitglijden,’ vertelt de man verder. ‘Net als in Amsterdam waar de paarden langs de kade over soortgelijke keien de boten door de kanalen trokken, toch?’ Ik denk even na en herinner me dat mijn vader, die uit Amsterdam komt, wel ooit zoiets heeft verteld. Naast de baai staat een wit huis met in het midden een donkerblauw geverfde deur en aan weerskanten twee raampartijen met in dezelfde kleur geverfde kozijnen. ‘Er woont nu niemand meer, maar eind achttienhonderd woonden hier zo’n veertig man in dit huis, en er lagen hier zeventien boten in deze kleine baai. Weet je welke vis ze vingen?’ Ik schud mijn hoofd. ‘Haring,’ zegt hij met zoveel eerbied alsof het goud is. ‘Vangt u ook haring?’, vraag ik hem. ‘Nee, kreeft. Gisteren had ik honderdvijftig kreeften, maar door de storm zijn de netten beschadigd. We zwijgen en kijken weer een tijdje met gefronste wenkbrauwen naar het dobberende bootje. ‘Kunt u leven van de kreeftenvangst?,’ vraag ik hem. ‘Nee, maar dat is mijn land en dat zijn mijn schapen,’ en hij wijst naar de andere kant van de baai. ‘Zie je die stenen muur daar?’ Ik knijp mijn ogen halfdicht tegen de ondergaande zon en zie wat stenen restanten liggen, waar de schapen tussendoor lopen. ‘Dat was een kerkje, ook nog uit de tijd van de monikken.’ Ik probeer me voor te stellen hoe het moet zijn geweest om in die tijd te leven: dat je leefde van de visvangst en van wat er groeide op het land, dat je je warm moest houden bij het vuur en water haalde uit de rivier. Je hield je bezig met de primaire levensbehoeften, en ergens lijkt me dat toch een gezondere manier van leven, zowel fysiek als mentaal, dan de kunstmatige, of misschien wel gesimuleerde wereld, die wij nu om ons heen gecreëerd hebben.

De honden zitten rustig naast me. Moran loopt naar de man toe, en geeft een klein likje over zijn hand. ‘Wat vindt u ervan dat hier aan het einde van het weggetje een stel campers staan en blijven overnachten?,’ vraag ik hem. ‘Je vraagt het, dus dan krijg je ook een eerlijk antwoord van mij,’ zegt de man. Er valt een stilte en hij denkt na. Hij kiest zijn woorden voorzichtig. ‘Ik vind het prima dat ze er zijn, maar ze moeten geen rotzooi achterlaten, en dat gebeurt nu wel.’ Ik knik instemmend. Helaas zie ik dat ook. De meeste mensen laten het netjes achter, maar er zijn er altijd een paar die dat niet doen. Ik zag laatst ook weer iemand die even snel zijn chemisch toilet leeggooide in het weiland, en iemand die zijn vuilnis onder de camper laat liggen en wegrijdt. Marte is inmiddels gaan liggen in het gras naast het stenen pad. ‘Ik loop terug, want ik zie dat mijn oudste hond moe is. Dank u wel voor de verhalen uit het verleden.’ De man glimlacht en wuift nog even kort terwijl hij wegrijdt op zijn quad. Langzaam loop ik terug door het kleine gehuchtje Malin Beg. Het voelt er vriendelijk en geborgen. De huizen zijn tegen de heuvelrug aangebouwd en kijken allemaal uit over de zee. Aan het einde van het weggetje is een parkeerplaats dat uitkijkt over Silver Beach, een soort hoefvormig strand in het zuidwesten van het graafschap Donegal. Via een trap van zo’n honderdvijftig treden kom je uit bij het strand. De honden rennen uitgelaten over het zachte zand.

Gepubliceerd door Nomarit

Mijn naam is Marit. Nadat ik mijn huis heb verkocht en mijn baan heb opgezegd, woon ik samen met mijn twee honden, Marte en Mika, in een bus. Deze blog vertelt over mijn nomadenbestaan al reizende door Europa.

Plaats een reactie