Het regent keihard. Het klettert op het dak van de bus en het water stroomt in golven over de parkeerplaats. Terwijl het er gisteren nog mooi en idyllisch uitzag, ziet alles er nu grauw en deprimerend uit. De bergen van Torridon zijn gehuld in donkergrijze bewolking. De honden weigeren te plassen in deze harde regen dus ik start de motor en we rijden de parkeerplaats af. Voorzichtig draai ik door de bochten van het kleine weggetje en kom uiteindelijk weer terug op de A896, en gaan we richting de kust. De Rua Reidh Lighthouse ligt natuurlijk ook weer aan het einde van een klein weggetje. Borden waarschuwen voor ‘weak bridges’ en dat je voertuig niet breder dan twee meter twintig, niet langer dan zeven meter twintig en niet zwaarder dan zeven en een halve ton mag zijn. Daar voldoet mijn bus allemaal aan, maar de bochten zijn erg nauw en steil, en ik adem opgelucht wanneer ik het kleine parkeerplaatsje bij de vuurtoren indraai. De vuurtoren valt onder particulier eigendom, maar is van een afstandje te bewonderen. Het is wit geschilderd met geel geblokte omlijstingen rondom de ramen en hoeken van het gebouw. De toren steekt dramatisch af tegen de donkere lucht, de puntige zwarte rotsen en het witte schuim van de donkere golven eromheen. Ik sta tot mijn verbazing helemaal alleen op het parkeerplaatsje, maar het is dan ook wel erg afgelegen.


Ik sta in een pannetje spaghetti te roeren, wanneer er een vrouw met een jongen langsloopt. Ze stelt zichzelf en haar zoon voor, en vertelt dat ze in de vuurtoren woont. ‘Mocht er iets zijn, dan kun je altijd bij ons aankloppen,’ zegt ze. Dat geeft een fijn gevoel. Al staan we nog zover van de bewoonde wereld, er is toch iemand in de buurt. ‘Ik kan me voorstellen dat met een mooie zonsondergang of opkomst, en zelfs de kracht van een flinke storm het mooi is om hier te wonen, maar er zijn ook veel regenachtige en donkere dagen in Schotland, is dat niet deprimerend zo alleen op de rots,’ vraag ik haar.’ ‘Nee hoor, slecht weer kan ook mooi zijn,’ antwoord ze. Die nacht laat ik de gordijnen bij de voorstoelen open, zodat we in slaap vallen en de zee zie, en weer wakker worden en de zee zien.

Ik kijk opzij van het pad langs een steile stenen afgrond. Deze loopt de diepte in en eindigt bij de rotsen in de zee. Boven ons zijn ook alleen maar steile rotswanden te zien. Het pad loopt langs de klifhelling en is niet meer dan dertig centimeter breed. ‘Dit kan niet goed zijn,’ besef ik me. Ergens hebben we een verkeerde afslag genomen op het kustpad richting Camus Mor. ‘Blijf hoog op de kliffen lopen,’ had de zoon van de vuurtoren mevrouw nog zo gezegd. Mika en Moran zijn gekoppeld aan de heupriem en lopen achter mij. Ik kan nauwelijks keren, en besluit het laatste stuk dan ook maar naar beneden te lopen. Soms moet ik zittend van een grote rots naar beneden glijden. Loszittende stenen beginnen te rollen en vallen met dof gebonk langs de kliffen. Ik laat de heupriem zoveel mogelijk vieren, zodat de honden voldoende ruimte hebben om te kunnen volgen. Ze voelen mijn gespannenheid en houden zich muisstil. We eindigen op een klein stenen strandje aan zee. Ik realiseer me dat White Sand Beach achter de volgende klif moet liggen. Ik zie een klein paadje halverwege de klif lopen. ‘Nu we zover gekomen zijn, kunnen we dat laatste stukje ook net zo goed doen.’ De honden kijken me vol vertrouwen aan, en volgen me op de voet. Vol goede moed klim ik weer stapje voor stapje omhoog. Ik probeer zo min mogelijk in de diepte te kijken en concentreer me op het paadje voor me. Ik pers me langs de uitstekende punten van de rotswand en grijp met elke stap heidetakken vast die langs de rotswand groeien. Langzaam komt het strand van White Sand Beach in zicht. Het is nog maar een klein stukje, maar dan is er een stuk pad voor me dat uit een richeltje op een stenen wand bestaat. Ik moet minstens drie meter te zien overbruggen, en probeer op allelei mogelijke manieren te bedenken hoe ik die stappen kan zetten. Maar dan kijk ik naar Mika en Moran achter me. ‘Dit is te gevaarlijk,’ besluit ik. Langzaam draai ik me om en stap voorzichtig over de honden heen. Met het hart in mijn keel begin ik aan de terugweg. Deze kost minstens een half uur, en in totaal zijn we een uur kwijt met die verkeerde afslag. Trillend van vermoeidheid sta ik uiteindelijk weer bovenop de klif. ‘Maar toch wil ik nu naar White Sand Beach,’ houd ik stug vol, en we vervolgen onze weg bovenop de kliffen. Het pad is lang niet altijd zichtbaar, en vaak zakken we weg in de modder en nattigheid. Af en toe worden we geteisterd door regengordijnen gedragen op de harde windvlagen. We dalen weer een stukje naar beneden en zien het strand, dat grotendeels verborgen ligt tussen de zachtglooiende met groen bedekte rotsen. Daarachter is de landtong met uitgestrekte graslanden en meren. Wat een leegte, maar dan vol met natuur.







Tegen de heuvel ontdek ik een klein stenen huisje. Voorzichtig loop ik ernaartoe, want ik wil niemand storen. Het blijkt een hutje te zijn voor wandelaars om te kunnen overnachten. Het draagt de naam ‘Camstrolvaig Bothy’, en is voorzien van een houtkachel, slaapplaatsen, water, voedsel en wat keukenspullen. ‘Ik zou hier zo een paar dagen kunnen blijven,’ verzucht ik tegen de honden, die het zich al makkelijk hebben gemaakt op de stenen vensterbank voor het raam. Zo blijven we nog een tijdje zitten.

