Een ielige waterval met een grote naam

Ik sta in de ochtend de dekens uit te kloppen, wanneer om acht uur de eerste buslading vol toeristen in John o’Groats wordt afgeleverd. Ze lopen achter de reisleider aan naar de ferry, die hen naar één van de Orkney-eilanden zal brengen, onderwijl foto’s makend van alles wat ze tegenkomen. Ook de honden worden veelvuldig gefotografeerd. Dat zijn ze inmiddels gewend, en ze gaan er nog maar eens makkelijk voor zitten. Moran kwispelt iedereen vrolijk gedag, terwijl Mika wat terughoudender is en stug de lens inkijkt. Na een klein rondje langs de toeristenwinkeltjes in John o’Groats, rijden we urenlang door het heuvelachtige landschap langs de oostkust van Schotland richting het zuiden. Aan het begin van de middag parkeer ik de bus bij Falls of Foyers. Het is er erg druk, en ik weet nog maar net één van de laatste parkeerplekken te bemachtigen. Samen met de honden loop ik naar de zestig meter hoge waterval toe. Het is een korte wandeling door een kloof aan de oevers van Loch Ness. De lange dunne stammen van dennen tornen boven het pad uit en overal groeit weelderig groen. ‘Is dat het nou?,’ zeg ik tegen verbaasd tegen de honden. Een ielig stroompje water klettert langs de rotsen naar beneden. Mensen verdringen elkaar om foto’s te nemen. Ik heb voor mijn gevoel toch veel mooiere watervallen gezien op de minder toeristische plekken. Al snel zijn we weer terug bij de bus. Het is warm, eenentwintig graden. Dat zijn we niet gewend. Marte zoekt de koelte op in het hoge gras naast de parkeerplaats, terwijl Mika onder de bus duikt. Alleen Moran lijkt er geen last van te hebben, en zit rustig naast me op het bankje, kijkend naar de niet aflatende stroom mensen die voorbij komt. Aan het einde van de middag koelt het wat af en neemt de drukte ook wat af. We laten Marte achter in een verkoelde bus en volgen één van de aangegeven wandelroutes. Meerdere keren raken we het spoor bijster, maar uiteindelijk bereiken we Loch Ness. Mika en Moran spelen op het stenen strand langs de oevers van het meer, dat wordt omgeven door bergen. Even verderop zie ik mensen zoekend om zich heenkijken. ‘Volgt u ook één van de onnavolgbare wandelroutes?, vraag ik hen. ‘Ja, maar wij komen er niet uit’. We puzzelen nog een tijdje samen aan de route, maar uiteindelijk geven we het op. Ik loop dezelfde weg terug door de kloof als dat ik gekomen ben.

Terug bij de bus twijfel ik of ik hier wil blijven overnachten. De parkeerplaats biedt geen enkel uitzicht, en er zijn geen duidelijke wandelroutes, het is er toeristisch en ik hoor ook nog eens continu een soort stofzuigergeluid. Bij navraag in het winkeltje blijkt het afkomstig te zijn van een klein elektriciteitsnetwerk, dat stroom opwekt voor een aluminiumfabriek. Nee, hier heb ik dus geen zin in. Ondanks dat ik vandaag al vier uur heb gereden, kies ik er toch voor om door te rijden naar Cairngorm National Park. Twee uur later rijden we tegen acht uur ’s avonds het grote parkeerterrein bij de Cairngorms op. Het oogt niet bijzonder aantrekkelijk met al die skiliften, hekken, containers en bijgebouwen, maar ik parkeer de bus in een hoek zodat we toch nog een mooi uitzicht hebben op de lager gelegen heuvels rondom Glenmore en Loch Morlich. Er staan een paar andere campers en auto’s. Na een kleine maaltijd van crackers en kaas en een korte plasronde, gaan we vroeg naar bed.

Gepubliceerd door Nomarit

Mijn naam is Marit. Nadat ik mijn huis heb verkocht en mijn baan heb opgezegd, woon ik samen met mijn twee honden, Marte en Mika, in een bus. Deze blog vertelt over mijn nomadenbestaan al reizende door Europa.

Plaats een reactie