Er staan allemaal jagers met geweren wanneer ik het parkeerterrein van Utsiktspunkt Snohetta oprijd. Het terrein is omgeven door bergen. Ik parkeer in een hoek, zodat de honden aan de lange lijn in het gras kunnen liggen. Zij krijgen hun ontbijt, terwijl ik een grote beker warme chocolademelk drink, zittend op een steen in de zon. De jagers spreiden zich uit over het terrein, en verdwijnen al snel in de bergen. Ik ben benieuwd waar ze op gaan jagen.
Het uitzichtpunt is een halfuurtje lopen en geeft een fantastisch uitzicht over de besneeuwde bergtoppen en de hoogste berg van Dovrefjell Sunndalsfjella Nasjonalpark, Snohetta (2286m). Het imposante bergmassief tekent zich donker af tegen de omliggende witte bergtoppen en de lage witte bewolking. De glooiende vallei, die ervoor ligt, laat alle kleuren groen zien in een mooie gestroomlijnde golfbeweging, alsof de zee er nog kort geleden overheen gespoeld is. Aan de andere kant van de berg dalen we weer langs een klein wandelpad naar beneden. Hoewel we er niet mogen overnachten, besluit ik de dag hier door te brengen. Nog vermoeid van de dag ervoor, slapen we een paar uur in de middag.






Tegen zessen loop ik samen met Mika en Moran de berg op aan de andere kant van het terrein. De uitzichten zijn adembenemend, met de laatste zonnestralen die nog net de achterliggende bergen weet te verlichten tegen de donker wordende avondlucht. Op de terugweg steekt Mika continu zijn neus in de lucht. Hij ruikt iets, en ik voel de spanning op de lijn. Op het parkeerterrein lopen een tiental jagers, en ook zij lijken te wachten op iets. Mika wordt steeds nerveuzer, en kijkt om zich heen. Er klinken geweerschoten. De honden zitten nu doodstil. Dan zien we een kudde rendieren tegen de berg oprennen. De bosjes kraken, en we horen het gesnuif van opengesperde neusgaten en het getrappel van hoeven op de harde grond. Opnieuw klinken er geweerschoten. De dieren rennen in paniek een andere kant op, maar lijken te zijn ingesloten door de jagers. Mika en Moran breken in een langgerekt gehuil uit. Ze trillen over hun hele lijf, en rukken uit alle macht aan de lange lijn, die gelukkig vastzit aan de stalen poten van de voorstoel. ‘Doe die honden naar binnen,’ klinkt er een boze stem. Een man in een donkerblauw uniform komt hard op mij aflopen. ‘Ik kom net terug van een wandeling,’ zeg ik tegen hem. ‘Ze moeten naar binnen,’ herhaalt hij nog bozer. ‘Ja, kalmeert u een beetje.’ De man neemt een paar stappen naar mij toe. ‘Wat zei je daar?’ ‘Dat ik ermee bezig ben.’ Hij blijft vlakbij de bus staan. ‘Je moet hier snel weg,’ zegt hij met een lage dreigende stem. ‘Ik zou hier ook niet willen blijven,’ zeg ik terwijl ik de schuifdeur hard voor zijn neus dichtsla. Met de rennende dieren op mijn netvlies rijd ik voorzichtig de berg af. Even verderop ligt de parkeerplaats Joroskloppa, van waar meerdere wandelroutes lopen aan zowel de Rondane als de Dovrefjell kant. Ik parkeer met uitzicht op de rivier, de vallei en de bergen van Drivdalen. Ik geef de honden wat extra brokken, en voor mijzelf maak ik een beker warme chocolademelk met een flinke scheut caramellikeur. Langzaam komen we tot rust.





De volgende ochtend zit ik na een korte plasronde, ondanks dat het maar tien graden boven nul is, in het vroege ochtendzonnetje te ontbijten, wanneer de één na de andere auto het parkeerterrein komt oprijden. Er stappen allemaal jagers met geweren uit. ‘Dit kan niet waar zijn,’ zeg ik tegen de honden, die meteen gespannen rechtop zijn gaan zitten. De man in het donkerblauwe uniform, die gisteren tegen mij stond te schreeuwen, is ook weer van de partij. Even wil ik meteen instappen en wegrijden, maar ik bedenk me. Nee, ik heb een mooie route gepland, en die ga ik straks lopen. Gelukkig gaan de jagers de andere kant op.
Een paar uur later lopen we over een smal pad bovenop een uitgestrekt bergplateau. Aan weerskanten van het pad groeit lage struikheide en grote dotten lichtgroen korstmos. Hier en daar staan wat kleine berken met dunne gekromde stammetjes. In de verte zijn de besneeuwde bergtoppen van Dovrefjell Sunndalsfjella Nasjonalpark te zien. Het natuurgebied wordt vaak liefkozend het dak van Noorwegen genoemd en is de beste plek om muskusossen in het wild te zien. Een bordje aan het begin van de route waarschuwt ervoor om de ossen uit de weg te gaan. Mochten ze je toch aanvallen, dan is het je eigen schuld, staat erbij. Fijn volk, die Noren.





Na anderhalf uur lopen zien we het witte gebouw schuin tegenover het oude treinstation van Kongsvold. Daarnaast ligt de botanische tuin met een unieke verzameling van arctische bloemen en planten. Het park ligt niet ver van de poolcirkel, en dat zorgt ervoor dat je hier unieke planten en diersoorten tegenkomt.
Bij Kongsvold steken we de E6 over en klimmen hier weer omhoog. Daarna lopen we weer een prachtig stuk over een bergplateau met uitzicht op de bergketen van Dovrefjell. Af en toe kom ik een andere wandelaar tegen, en ga dan zodanig met de honden staan zodat de ander makkelijk kan passeren. Ik probeer oogcontact te maken, maar er kan nauwelijks een groet of een dankjewel van af. Wat een verschil met de mensen in Zweden of in England, waar men vrijwel altijd groette of een praatje maakte. ‘Ik hoop dat ik nog een aardige Noor tegenkom,’ verzucht ik tegen de honden.





Opeens zie ik een groepje jagers zo’n dertig meter boven me op een richel staan. De man in het donkerblauwe uniform staat erbij. ‘Nou word ik gek,’ mompel ik. Ik negeer de groep en kijk bewust de andere kant op, maar ik voel hun ogen in mijn rug wanneer ik voorbij loop.
Drie en een half uur later zijn we terug bij de bus. De honden gaan in het gras liggen, terwijl ik me laat opwarmen in het zonnetje. ‘Mag ik je honden aaien,’ vraagt opeens een stem. ‘Ja, natuurlijk.’ Een man met een lange baard knielt neer en aait de honden. We raken in gesprek. ‘Ja, de Noren zijn wat moeilijk benaderbaar,’ erkent hij. Na nog een kop thee te hebben gedronken, nemen we afscheid. ‘Kom je me opzoeken op mijn boerderij aan de westkust?,’ vraagt hij. ‘Ja, dat beloof ik.’
