We rijden door Finnmark, de meest noordelijke regio van Noorwegen, dat ook wel bekend staat als Noors Lapland. Het werd van oorsprong bewoond door de Sami, het nomadische volk dat ook in Zweeds en Fins Lapland woont. Finmark kent lange fjorden aan de kust, terwijl het binnenland gedomineerd wordt door grote hoogvlaktes. Nadat we getankt hebben in Alta verruilen we de kust voor een stuk over een hoogvlakte. De bladeren van de berken zijn, met de naderende herfst, geel gekleurd. De lichtglooiende heuvels erachter, tekenen zich donkerpaars af tegen de lage ochtendzon. Watervallen lopen af in de Goahtemuorjohka, de rivier die parallel aan onze weg loopt. Opvallend veel van de berken zijn geknakt halverwege hun stammetje, en ik heb het vermoeden dat de winters hier zo zwaar zijn, dat velen van hen het niet overleven. Ik probeer me voor te stellen dat hier tijdens de wintermaanden alleen maar duisternis heerst. Wat een overlevingskracht moet de natuur en de dieren hebben, die dit wel overleven.
Aan het begin van de middag bereiken we een klein parkeerplaatsje dat Knivskjelodden Trail Parking heet. We zien alleen maar kale vlaktes met een hele hoop stenen om ons heen. ‘Nou, daar zijn we dan, op het bijna meest noordelijke puntje van Europa,’ zeg ik tegen de honden.





‘Daar is de zee,’ zeg ik tegen de honden. We kijken neer in de vallei op het stenen strand. We horen de golven stuk slaan op de stenen en de rotsen. De felblauwe kleur van het water weerspiegelt in de bijna wolkenloze lucht. Meeuwen vliegen krijsend over. Langs het steile modderige pad glijden we naar beneden. Een stenen toren met een stuk wrakhout en scheepstouw markeert het strand. ‘Dit is het eindpunt van de Knivskjelodden Trail.’ Ik kijk voldaan naar de honden. We hebben er twee uur over gedaan om het meest noordelijke puntje van het Europese vasteland te bereiken. Rechts van ons zien we de Nordkapp op een hoge klif op de landtong ernaast liggen. Maar dan zie ik links van ons nog meer stenen torentjes met grote rode T’s staan. ‘Nou jongens, we zijn er toch nog niet.’ Mika en Moran vinden het helemaal niet erg om verder te gaan. Ze lopen voor me uit aan de heupriem. De tocht wordt nog zwaarder, want we moeten schuin over lange uitlopers van de rotsen lopen. Deze zijn glad van kleine stroompjes water, mossen en modder. Meerdere keren dalen we af in een kloof, om er daarna weer met vereende krachten uit te klimmen. We zakken weg in het moeras-achtige gras en in de gaten tussen de rotsen. Langzaam voel ik de nattigheid binnen sijpelen in mijn schoenen. Over de laatste anderhalve kilometer hebben we nog ruim een uur gedaan, maar dan zien we eindelijk de vierkante stenen toren die daadwerkelijk het meest noordelijke puntje van het Europese vasteland markeert. Hoewel, eigenlijk staan we op het eiland Magerøya, welke met een ondergronds tunnel met het vasteland verbonden is. Maar goed, laten we niet te ingewikkeld doen. We gaan op een uitstekende platte rots in de zon zitten. Het is maar zeven graden boven nul, maar het is windstil en de zon warmt ons op. Ik eet een paar biscuits en brokken chocola, terwijl de honden op een botje kauwen. In de diepte tuft er een rood wit vissersbootje voorbij. De siltige geur van de zee komt in vleugjes onze neuzen binnen. Mika komt tegen me aanliggen en legt zijn zware kop op mijn been. Een diepe ontspanning neemt bezit van ons. Na een halfuurtje begin ik toch af te koelen. ‘We moeten terug,’ zeg ik tegen de honden. ‘Marte ligt in de bus op ons te wachten.’ Met tegenzin sta ik op. Mijn spieren zijn nu al verstijfd. De terugtocht kost ons eveneens drie uur, maar het lopen door dit woeste onherbergzame landschap brengt ook een soort oergevoel teweeg. Ik ben meer gespitst op de geluiden om mij heen, ik observeer de kleine details in het landschap en ik ruik de kleine veranderingen in de wind. De honden acteren daarbij als een soort baken. We zijn een eenheid samen. Vrijwel tegelijkertijd zien we een kudde rendieren in de verte. Mika en Moran trekken aan de heupriem, en ik heb moeite om op koers te blijven. ‘Nee, we gaan terug naar ons huisje op wielen.’





De volgende ochtend rijden we de laatste zeven kilometer vanaf Knivskjelodden Trail Parking naar de Nordkapp. De enorme parkeerplaats is vrijwel leeg op een twintigtal campers en één tentje na. De Nordkapp bestaat uit een plateau van zo’n 307 meter, dat hoog boven de Noordelijke IJszee uittorent. We staan nu op slechts 2080 kilometer van de Noordpool af. Er staat een soort groot stenen fort, dat de Nordkapphallen heet. De achterkant bestaat uit een glazen wand, en erbovenop staat een wereldbol. Het kost ruim driehonderd kronen om er binnen te komen. Ik vind het teveel geld, maar met dit ticket heb je toegang tot een panoramafilm, historische tentoonstelling, een souvenirswinkel en restaurant. Ik loop met de honden naar de wereldbol aan de achterzijde van de hallen, en ik laat ze poseren voor een paar foto’s.

Vanaf dit punt kijken we neer op de landtong Knivskjelodden, waar we gisteren liepen. De rotsen lijken vanaf hier helemaal niet zo schuin af te lopen. We banjeren er een beetje rond. Na de pittige wandeling van gisteren wil ik het even rustig aandoen vandaag. Vanuit onze bus op het uiterste linkerhoekje van de parkeerplaats zien we het verkeer op gang komen. Er rijden bussen met Artic Tours erop, af en aan. Mensen snellen naar buiten om met een selfiestick foto’s te maken. Daarna gaan ze snel naar binnen in de warmte van de hallen. Tegen de avond blijven er zo’n tien campers over. Hoewel er helaas geen noorderlicht te bewonderen valt, genieten we toch van een mooie zonsondergang. De oranje gloed verlicht de zijkant van de campers. Het is vijf graden boven het vriespunt. Ik maak nog een beker warme chocolademelk voor mezelf, maar het opwarmen van het water kost mijn gaskookstelletje op butaan moeite met deze temperaturen. De vlam is minder sterk en het kost meer tijd om het water te laten koken. Achterin de bus heb ik nog een paar extra gasflesjes op propaan liggen. Propaangas kan beter tegen de kou, maar het voordeel van butaangas is weer dat het een hogere verbrandingswaarde heeft. Ik sta te huppen van het ene been naar het andere om een beetje warm te blijven, terwijl het water langzaam begint te koken. Daarna zet ik het water voor mijn kruik op, maar niet voordat ik het gasflesje heb geschud. Dat helpt soms een beetje om een betere vlam te krijgen. Ik ga met deze kou wel sneller door mijn gasflesjes heen. Ik verbruik nu ongeveer twee flesjes per week, terwijl ik tijdens onze reis door Ierland en Schotland ruim anderhalve week met één flesje deed. Ik maak er nu veelvuldig gebruik van voor het zetten van extra koppen warme thee en chocolademelk, warme pap in de ochtenden en het opwarmen van anderhalve liter water voor mijn kruik in de avonden. Om acht uur klim ik al naast de honden in bed. Ik heb lang ondergoed van merino wol aan, met daaroverheen een dikke fleece trui. Verder heb ik wollen sokken aan, een buff en een muts op. Ik heb dubbele gordijnen, die ik zowel achter als bij de voorstoelen dicht trek. Er ligt een snoeihete kruik tegen mijn rug, en ik slaap onder een dubbele winterdekbed. Mika ligt tegen mijn benen aan, en Moran kruipt bij mij onder het dekbed. Een heerlijke warmte verspreidt zich door mijn lichaam. Vanuit bed zie ik nog net een puntje van het oor van Marte. Ze ligt diep weggedoken in haar zachte mand. Ik laat een waxinelichtje branden in het kleine hanglampje boven het aanreachtblokje. Het schommelt zachtjes op en neer, terwijl buiten de wind blaast.



