Overwinteren in Portugal

Kijkend uit het raam zie ik een dikke grijze lucht, en het regent zachtjes. De schuifdeuren staan open en ik hoor de geluiden van binnen zich vermengen met dat van buiten. De motor van de koelkast zoemt zachtjes samen met die van het zwembad buiten. Het verkeersgeluid zwelt aan, om daarna weer af te nemen. De wasmachine draait en ik hoor stemmen op de galerij. 

Sinds een paar weken heb ik mijn intrek genomen in een appartementje in de stad Portimao. 

Marte en Mika genieten op de bank van het uitzicht op de stad Portimao

De Portugese overheid heeft strenge maatregelen genomen, waarmee zij hopen de verspreiding van het coronavirus te beperken. Het was onzeker of de campings open zouden blijven, en er hebben een aantal campinggasten voor gekozen om te verhuizen naar een appartement. Deze werden voor niet heel veel meer aangeboden dan dat we betaalden op de camping. Een paar uur voordat de lockdown van kracht zou worden, heb ik mijn bus ingepakt en ben ik naar Portimao gereden. 

De was is inmiddels gedraaid, en ik hang mijn fris gewassen beddengoed buiten onder het afdak  aan de lijn. De geur van pizza, die in de oven ligt te bakken, komt me tegemoet wanneer ik weer naar binnen loop. De lamp boven de tafel verspreidt een warm geel licht door de woonkamer. Mika ligt languit met al zijn poten in de lucht op de bank. Marte ligt zachtjes te snurken op haar bedje in de slaapkamer. 

Terwijl ik voor de tv van de caramelijs lepel, geniet ik van de luxe om mij heen.  En toch ergens zit ik niet lekker. Ik eet teveel, kijk teveel tv en ga weer veel te laat naar bed. De stadsgeluiden lijken steeds meer binnen te dringen in heel mijn wezen, en ik voel een onrust. ‘Ik wil reizen. Ik wil nieuwe dingen zien’ dendert het continu door mijn gedachten heen. 

Ik kijk terug op mijn overwinterperiode van bijna vijf maanden in Portugal. 

De eerste 12 weken bracht ik door in de Portugese heuvels van Alentejo. Een zeer dunbevolkt gebied, ongeveer even groot als Nederland met nog geen miljoen inwoners. Met mijn komst in oktober waren de heuvels nog dor en geel van de droogte. In november viel er gelukkig wat regen, waardoor de golvende velden om ons heen al snel veranderden in een mooi groen landschap. De onmetelijkelijkheid van het landschap werd slechts onderbroken door kromme kurkeiken, aan de stam bladerende eucalyptusbomen en velden vol olijfbomen. Hier en daar stonden witte huisjes, of restanten ervan, en soms een gedeeltelijk ommuurd dorpje. Ik maakte lange wandelingen, vaak samen met andere campinggasten, en het viel ons altijd weer op hoe stil het was in de halfverlaten dorpjes, waarbij we werden doordrongen van het gemoedelijke levensritme van de meestal oudere inwoners. 

De camping Serro da Bica, direct gelegen aan rivier Mira, bood een warm welkom. Mijn busje stond op een van de richels van de camping met een prachtig uitzicht over het glooiende landschap. Er was ruimte, rust en toch ook veel gezelligheid, mede dankzij het borreluurtje, welke dagelijks werd georganiseerd door de campingeigenaren. 

Mika zwemt door rivier Mira
Zonsondergang bij rivier Mira.

Vanaf camping Serro da Bica maakte ik wekelijkse uitstapjes naar de kust.

Uitzicht over de Atlantische Oceaan bij Praia de Almograve

Toch bekroop mij, nadat ik bijna drie maanden op de camping in de binnenlandse heuvels van Alentejo had doorgebracht, een gevoel van onrust. Ik wilde verder, ik wilde nieuwe dingen zien en nieuwe mensen ontmoeten. 

Na een gezellig samenzijn met de andere campinggasten tijdens de kerstdagen, ben ik net voor het nieuwe jaar vertrokken richting de westkust van Portugal. 

Ik kwam terecht op Camping Zambujeira, gelegen aan de kust van het natuurgebied Sudoeste Alentejano e Costa Vicentina. 

Zambujeira do Mar is een klein vissersdorpje, bestaande uit witgekalkte huisjes met terracotta daken en een prachtig uitkijkpunt over het strand, de zee en de hoge basaltkliffen. 

De camping mistte het uitzicht dat ik gewend was over de Portugese heuvels, maar bood goede faciliteiten, een winkeltje en een gezellige bar waar de openhaard bijna altijd brandde. De camping was nog niet eens halfvol tijdens deze wintermaanden, waardoor alle campinggasten voldoende ruimte hadden om te staan waar ze wilden. Ik vond een een rustig plekje achterin de camping met voldoende zon om mijn zonnepaneeltje te kunnen opladen. Ik ontmoette al snel mensen van allerlei nationaliteiten en achtergronden. Oudejaarsavond bracht ik door met een Nederlands echtpaar in een tent voor de tablet, waarop wij de Oudejaarsconference konden volgen. 

Dagelijks liep ik samen met Mika delen van de langeafstandswandelroute Rota Vincentina. Deze volgt de rulle paden, ooit gebruikt door vissers en handelaren langs de westkust van Algarve en Alentejo, en deels door het desolate binnenland van het natuurgebied Costa Vincentina. We genoten van de golven van de Atlantische Oceaan, die beukten tegen de metershoge klifwanden en ruige kapen, de harde wind, de kleine gele strandjes in de diepte, het blauwe water van de zee, weidse vergezichten en de krijsende zeevogels boven onze hoofden.

De komende zes weken breng ik door in Portimao, een stad met bijna veertigduizend inwoners. De stad is gelegen aan de monding van rivier Rio Arade en tegelijk aan de prachtige kust van de Atlantische Oceaan in het westen van de Algarve. Het is de oudste stad van de hele zuidkust, en biedt een aantal bezienswaardigheden stammend uit de 15e eeuw, waaronder de kerk Igreja da Nossa Senhora da Conceicao en het middeleeuwse fort Santa Catarina. 

Het appartement, waar ik samen met Marte en Mika verblijf, is gelegen aan het strand van Tres Castelos, temidden van allerlei andere appartementencomplexen, hotels, souvenierwinkels, restaurants en zelfs een metershoog casino die boven het strand uittorent. 

Wanneer ik mijn hoofd afwend van al het ‘toeristengeweld’, zie ik een prachtige kust met goudgele stranden, imposante rotsformaties, kleine baaitjes en een turquoise gekleurde zee. 

Vanwege alle Corona maatregelen zijn er nauwelijks mensen, en ik geniet van de rust en al het natuurschoon langs deze prachtige kustlijn. 

Een dagje aan de kust

Metershoge golven zijn al op afstand te zien wanneer ik door een wirwar van witgekalkte huisjes en geplaveide straten het typisch Portugese vissersdorp Porto Covo binnenrijd. Zogauw ik de schuifdeur van de bus open, horen we het gebulder van de zee en wappert mijn open jas in de koude wind. Het is vloed, dus de strandjes van Praia dos Buizinhos en Pequena zijn nauwelijks zichtbaar. We lopen over de toppen van rotsen en kliffen over een tapijt van felgekleurde geeloranje vetplantjes. In de diepte zien we de golven stukslaan op de scherpe punten van de rotsen. 

We lopen over een wat breder strand op Praia da Ilha do Pessegueiro. Marte en Mika spelen in het witte schuim van de golven. We pauzeren bij een inham, waar een klein meanderend beekje vanuit de heuvels de zee instroomt. Bij de monding drinken we van het koele zoete water, dat zich een paar meter verderop vermengt met het zoute water van de zee. Ik zit met opgetrokken knieën in het zand. In de verte zie ik restanten van een bouwsel op een eilandje in de zee liggen. Het blijkt het Forte de Santo Alberto do Pessegueiro te zijn, een onafgemaakt project uit de 16e eeuw om middels een kunstmatige haven het eiland Pessegueiro te verbinden met het vaste land. 

We rijden verder voorbij Vila Nova de Milfontes, en slaan bij Praia de Almograve een klein weggetje langs de kust richting Cavaleiro in. Het verharde weggetje verandert in een zandpad, en laat ons de meest fantastische vergezichten over puntige kliffen en de zee zien. 

Bij Cabo Sardao maken we een prachtige wandeling over een aaneengesloten landschap van ruige kliffen met adembenemende uitzichten over de Atlantische Oceaan. Het donkerblauw van de zee constrateert met de lichtblauwe kleur van de lucht. De witte schuimkoppen van de golven lossen op in het donkere gesteente van de grillige rotsen en kliffen.     

Op het meest zuidwestelijke puntje van het Europese vasteland

Het eerste wat ik ruik, wanneer ik de schuifdeur van de bus open, is een pislucht. Daarna ruik ik ook nog een vleugje silt van de zee. Marte en Mika springen, na een twee uur durende rit, vol energie uit de bus en strekken hun pootjes. We lopen langs de rand van de parkeerplaats, en ik zie overal toiletpapier in de bosjes liggen. Dit is nu niet bepaald het meest prettige welkom op het meest zuidwestelijke puntje van het Europese vasteland. 

Voor ons strekt een soort grote vestingsmuur zich uit. We lopen door de poort naar binnen, en stuiten op een toegangshek met kaartenverkoop aan. Verdorie, ook hier moet ik betalen voor het uitzicht. Ik blijk bij het fort van Beliche, gelegen op Kaap St. Vincent, te staan. De exacte bouwdatum is onbekend, maar het lijkt er al vanaf de zestiende eeuw te staan en werd meest waarschijnlijk voor militaire doeleinden gebruikt.  

Ik loop terug, en we genieten van de uitzichten die zich naast de muur bevinden. We kijken over de Atlantische Oceaan vanaf imposante rotspartijen en kliffen van bijna 100 meter hoog. Aan de westelijke kant zien we in de diepte een strand liggen, waar allemaal surfers in de harde wind de hoge golven met witte schuimkoppen trotseren. Er is nauwelijks begroeiing. We lopen over een bruinoranje rotsachtige bodem terug naar de bus. 

We rijden verder over de N268 langs de westkust van de Algarve richting het noorden, en pakken bij Aljezur de route langs de Estrada da Praia. We genieten van imposante rotspartijen, metershoge kliffen met daar tussenin inhammen met goudgele stranden. 

Bij Praia da Bordeira parkeer ik de bus tussen de meest aftandse en kleurrijke campers die ik tot nu toe gezien heb. Bij een zie ik de bumper met touw vastgeknoopt aan de rest van de camper,  terwijl een ander verroeste stukken camper met tape bij elkaar lijkt te houden. Bij vrijwel allemaal staan er surfplanken tegenaan geleund en de bodysuits hangen te drogen aan de buitenspiegels. 

Ik laat Marte en Mika van de riem, en zij rennen over een breed stuk strand. Tussen de rotsen stroomt een beek richting de zee, welke een soort lagune vormt tussen de rotsachtige kust en het zachte zand. Over houten planken en bruggetjes lopen we aan de zuidkant van het strand da Bordeira naar een uitkijkpunt op de klif toe. Het diepe emarald blauw van de oceaan tekent zich af tegen de witgrijze bewolking. In de verte zien we surfers als kleine zwarte stipjes op en neer deinen in de golven van de zee. 

We vervolgen onze weg met de bus door Parque Naturel do Sudoeste Alentejano e Costa Vincentia naar het pittoreske kustdorpje Zambujeira do Mar. Ook hier is het prachtige strand omgeven door steile kliffen, die door erosie grillige vormen en kleuren hebben gekregen. Ik loop samen met Marte en Mika over oranje tot roodpaarsachtige rotspaadjes. Dit schijnt de enige plek in de wereld te zijn, waar de ooievaars nestelen in de zeerotsen. Evenzo opmerkelijk is dat dit park de enige plek in Portugal en een van de laatste in Europa is, waar otters in een zeehabitat leven.  

Eindelijk weer de zee

Het donkerblauw van de Atlantische Oceaan schittert ons over de witte huisjes tegemoet, wanneer ik samen met een andere campinggast het kustplaatsje Villa Nova de Milfontes binnenrijd. Wat een heerlijk gevoel om de zee weer te zien. 

We stappen uit en wandelen meteen het zachte goudgele strand op. Marte en Mika rennen naar het water en springen tegen de golven in.

Ik voel de warmte van de zon in mijn rug, samen met een koel windje dat vanaf de zeekant mijn gezicht streelt. Ik rol mijn broekspijpen omhoog en loop met blote voeten door het water. De geur van het zoute zeewater vermengt zich met dat van het door de zon opgewarmde zand. Aan de overkant van de baai, daar waar de rivier de Mira uitmondt in de zee, zijn de witte huisjes van Villa Nova in de verte te zien.

Richting het zuiden kijk ik tegen imposante kliffen en grillige rotspunten aan. Het wordt eb, dus ik klim samen met Marte en Mika een klein stukje over de scherpe rotspunten heen tot we weer op een stukje strand eindigen. Hier is helemaal niemand. Het strandje wordt omringd door onbegaanbare en metershoge klifwanden. We wanen ons even op een onbewoond eiland.  

Wandeling door de Portugese heuvels

De heuvels zijn nog onzichtbaar door de vroege ochtendmist wanneer ik samen met twee andere campinggasten en onze honden op pad ga. De vogelgeluiden komen gedempt door de dikke witte deken heen. De bomen en struiken tekenen zich zwart af tegen al het wit om ons heen.

Onze voetstappen klinken bijna hol op de harde stoffige paden. Het zand waait op met elke stap die wij nemen. Het is koud, maar ik voel al de warmte van de opkomende zon. In snel tempo trekt de mist op, en worden de heuvels zichtbaar. Hier en daar markeren de verdraaide takken van de kurkeiken van het dorre landschap. Het gele hoge gras laat vochtige strepen van het ochtenddauw achter op mijn broekspijpen. Af en toe vang ik een vlaag van de kruidige eucalyptusgeur op, wanneer we langs de lange ranke stammen van de eucalyptusbomen lopen. Naarmate het warmer wordt, schieten hier en daar de groenbruine gekko’s voor onze voeten weg langs de zijkanten van de door de zon verwarmde rotsen. Het ritselt nog na in de struiken, die langs de rotswanden hun weg omhoog vinden. Krekels lijken voor ons uit te dansen, met hoekige bogen springen en vliegen zij korte stukjes door het hoge gras.

Na talloze op en afdalingen langs de de heuvels van Alentejo, volgen we een klein wildpaadje langs de Mira. We maken een oversteek door de rivier. Dat koelt lekker af na een lange tocht. Ik waad met mijn rugzak boven mijn hoofd al glijdend over de gladde stenen door het koude water. Mika zwemt vrolijk om mij heen.

Nog meer regen, en dan ….. zonneschijn

Het is nog donker wanneer ik wakker word. Ik verheug me op een wandeling rond het meer. ‘Nee, niet weer’, denk ik als ik het beginnende tikken van de regen op het dak hoor. We maken een snelle wandeling door de stromende regen, en vertrekken weer zonder ontbijt in een bus vol natte dekens, kleedjes en honden. Urenlang rijd ik over de snelweg richting het zuiden. Bij Embalse de José Maria Oriol stoppen we. De zon schijnt. Het is 22C.

Nog meer regen…

Ik hoor het de hele nacht hard regenen. Toen ik nog in mijn huis woonde, vond ik het altijd heel knus als ik de regen hoorde tikken op het schuine zolderdak boven mijn bed. Nu ben ik er niet zo blij mee. Ik denk alleen maar aan modder, natte honden en een klamme bus. Wanneer ik uit bed stap, zie ik dat er een lekkage bij de bestuurderskant is ontstaan. Mijn tweede winterdekbed, die op de bestuurdersstoel ligt, is gedeeltelijk nat geworden. ‘Hé, bah, ook dat nog’. Ik kleed me aan, en zoek mijn schoenen onder de bus. Deze vind ik naast de bus, halfvol met regenwater.

Hoewel ik het moeilijk vind om van mijn planning af te wijken, besluit ik de snelweg te pakken richting het zuiden, en hoop daar voor beter weer. Zonder te ontbijten, met een onopgemaakt bed, natte kleedjes, en met de modderspetters aan het plafond (Mika vond het een goed idee om zich, na de wandeling door de stromende regen, uit te schudden op mijn bed), vertrek ik richting midden Spanje.

Na een paar uur rijden houdt het dan eindelijk op met regenen. Ik verlaat de snelweg, en vind een plekje langs Embalse de Uzquiza. Ik hoop mijn schoenen droog te lopen, maar langs de waterkant van het meer zak ik onverwachts tot mijn enkels in de modder. Het zit mijn schoenen niet mee. Marte en Mika rennen vrolijk in en uit het water. Ze genieten van het vrij zijn.

Erg veel regen…

Urenlang rijden we door de onafgebroken regen in de Pyreneeën. Het klettert op onze bus, en er lopen allemaal waterstroompjes over de weg heen. De bergen zijn onzichtbaar door de laaghangende wolken. We rijden continu door een witte massa heen. Toch kies ik ervoor om over de Col de Touron in de Ariege te rijden. We rijden door kaal rotsachtig gebied, net boven de boomgrens. Hier en daar vangen we een korte glimp van de besneeuwde bergtoppen op, die boven ons uittornen.

Ik vervolg mijn route over de D26 richting de grens van Spanje. Een prachtig weggetje over Col de Ispegi en Col de Larrau. Ik kom geen enkele andere auto tegen. Af en toe komt de zon tevoorschijn, en genieten we van een eindeloze stroom aan bergen.

Grens Franse/Spaanse Pyreneeën

Schoenenprobleen, en wonen in een berghutje?

Langzaam word ik wakker van het zacht ruisende geluid van het stromende riviertje, dat naast de camping loopt. Ik zie donkergrijze bewolking door het dakraampje van de bus. Ik klim uit bed (is letterlijk klimmen op 110cm hoogte), en rijd de bus een paar meter vooruit, zodat het zonnepaneeltje wat beter oplaadt.

Ik kleed me snel aan, en open de schuifdeur voor de honden. Ze snuffelen langs de waterkant van het riviertje. Ik zoek mijn wandelschoenen. Die liggen verfromfraaid onder de achterwielen van de bus. Ik trek ze eronder vandaan, en probeer ze weer een beetje in vorm te krijgen. Ik besluit de bus nog iets verder in het zonlicht te rijden. Voor de tweede keer rijd ik over mijn schoenen heen. 🙄

Halverwege de wandeling met Mika breekt de zon door. Het verlicht de grote besneeuwde bergketen aan de overkant van waar wij lopen.

We lopen over Le Col de l’Artigue, een rondwandeling van ruim drie uur. Ver beneden in het dal zien we het dorpje Seix liggen. De bordjes zijn niet altijd makkelijk te volgen. Ze zijn nogal verweerd. Op deze hoogte komen we de meest schattige kleine berghutjes tegen. De meesten zijn helemaal dichtgetimmerd. Hoe zou het zijn om hier te wonen?