De wind jaagt grote vlokken witte wolkenmist over het pad. Het is koud en nat. Daar waar we mooie vergezichten zouden moeten zien, is enkel wit. We lopen in de wolken op Le Col de la Croix De Jubile, in het Parc Haut-Langueduc. Een prachtig bebost berggebied, maar vanwege het slechte weer besluit ik verder te rijden.
In een bocht zie ik de besneeuwde bergtoppen van de Pyreneeรซn tevoorschijn komen. Mijn hart maakt een sprongetje, zoals altijd wanneer ik in de bergen kom. Ik parkeer de bus laat in de middag op Le Col des Marrous. Samen met Marte en Mika maak ik een wandeling naar Col de l’Homme. De zon schijnt en we genieten van een prachtig uitzicht over de Ariegeoises.
Weer twijfel ik als ik op het bordje lees dat de route gevaarlijk en enkel geschikt voor voertuigen niet langer dan acht meter is. ‘Nou ja, dat moet kunnen met mijn bijna zes meter busje’, denk ik. De afgronden naast het weggetje zijn ontzettend diep, de bochten zo nauw dat ik nauwelijks de bocht kan maken. Ik houd mijn blik strak op de weg, en durf niet naar de afgronden naast me te kijken.
Met het zweet in mijn handen rijden we door het keteldal, een soort hoefijzervormige krater, en komen we boven op Cirque de Navacelles. Wederom genieten we van prachtige vergezichten. Regen wisselt zich in rap tempo af met zonneschijn.
We lopen om acht uur ’s avonds een laatste avondrondje. Het is vreemd om in het halfdonker zo alleen over de Navacelles te lopen. Het voelt net zo desolaat aan, als het gebied zelf. Mijn natte kleding leg ik over de voorstoel te drogen, en ik zet het kacheltje op hoog aan. ‘Morgen weer verder’, denk ik, ‘nu even geen enge weggetjes meer’.
De banden schuren over de stenen en de modder, de motor draait op volle toeren en ik ruik verbrand rubber. We komen niet meer omhoog. ‘Oh jee’, denk ik, en mijn hart slaat een paar tellen over. Ik sta in een vreemde bocht tussen een kaartenverkoophokje en een stel grote stenen. De slagboom bij La Cite de Pierres boven op de Montepellier is dicht, maar ik dacht er wel een draai te kunnen maken. Het is nog vroeg in de ochtend, en ik zie verder niemand. Langzaam laat ik de bus achteruit rollen. Met een klap kom ik tegen het kaartenverkoophokje aan. Ik zet hem in de eerste versnelling en scheur de berg op. Met een scherpe draai zie ik de afgrond door de voorruit van de bus voorbij glijden. Het is gelukt. Ik zet de bus voor de dichte slagboom, en tril nog een paar minuten na.
Ik zie een paar witte krassen op de bus, maar het valt verder gelukkig mee. Het kaartenverkoophokje is er daarentegen met een deuk in de zijkant iets minder goed vanaf gekomen.
Ik loop met Marte en Mika langs de gesloten slagboom, en we genieten van het prachtige uitzicht op de Montepellier. Grote grijze rotsformaties zijn te zien zo ver als het oog reikt.
Er komt een auto hard op ons afrijden. Het raampje wordt opgedraaid, en een mevrouw zegt dat ze over een halfuurtje opengaat en dat ik een kaartje moet kopen. Snel loop ik terug naar de bus. Ik durf haar niet te vertellen dat ik een deuk in haar kaartenverkoophokje heb gereden.
Even blijft mijn voet boven het gaspedaal hangen, en ik twijfel. ‘Route difficile et dangereuse’ staat er op het bordje. Ik geef gas en rijd de steile helling van de berg op. Na heel wat haarspeldbochten rijden we over verschillende hoge bergplateaus richting de Grands Causses. Het gebied doet desolaat aan. We rijden door prachtige ongerepte natuur.
Aan de linkerkant van het smalle paadje is een flinke afgrond van ruim 100 meter. Ver beneden in het dal zien we het dorpje Florac liggen. Er waait een ijskoude wind, en er valt lichte regen. Mika en ik lopen bovenop een bergkam op de grens van de Cevennes en Grand Causses. ‘Voorzichtig’, roep ik tegen Mika als hij wel heel dicht op het randje loopt. Hij heeft in ieder geval geen hoogtevrees.
Ik sta te koken op mijn gasstelletje in de bus op ruim 1500 meter hoogte op een parkeerplaats op Le Col de la Croix de Boutieres, met een fenomenaal uitzicht. Tientallen bergtoppen, deels begroeid met bossen, afgewisseld met groene graslanden en grillige rotsformaties.
We horen geklingel van een bel. Langzaam doemen er een aantal koeien op in de dikke witte mist. Het is de volgende ochtend, en ik loop samen met Marte en Mika op een pad schuin omhoog over glibberige stenen. Er waait een koude wind. Het water stroomt in kleine stroompjes omlaag langs het pad. Onze adem komt in kleine witte wolkjes naar buiten. Terug bij de bus, eet ik warme pap met mijn jas, muts en handschoenen aan. De mist trekt op, en komen de Boutieres weer tevoorschijn.
‘Oh kijk eens wat mooi’, roep ik tegen de honden wanneer we het hart van het Centraal Massief van d’Auvergne inrijden. Mika tuurt, liggend op bed, uit de achterraampjes van de bus. Marte, die in haar mand naast de voorstoel ligt, opent een oog, en doet hem daarna weer dicht.
Uitzicht op Les Roches Tuilieres et Sanadoire
Een smal weggetje voert ons langs oude vulcaanbergen naar een parkeerplaats boven op de Col de Guery. Met Mika maak ik een wandeling naar de top van Puys May. Vlak voordat we de top bereiken, zien we de donkergrijze bewolking tussen de bergen doortrekken. Het begint lichtjes te regenen. We staan een paar minuten in de harde wind naar de donkere bergen om ons heen te kijken, om daarna aan een snelle afdaling te beginnen. Mika loopt voor mij uit, terwijl de zon weer begint te schijnen, en hij regelrecht een regenboog lijkt in te lopen.
Ik schuif de gordijntjes van de achterdeur open, en Mika en ik kijken liggend vanaf ons bed naar buiten. Het zonlicht schittert ons tegemoet. Kleine golfjes van het meer, Lac des Settons, spoelen aan op het witte stenen strand. De randen van het meer worden omgeven door een mix van loof- en naaldbomen, met daarachter de lichtglooiende heuveltoppen van Parc du Morvan. We horen de vogels tjilpen in de vroege ochtendzon. Een groep eenden strijkt neer in het water van het meer.
Ik doe de schuifdeur van de bus open, en Marte en Mika rennen naar het water toe. Er wordt druk gesnuffeld aan de waterkant.
Gisteren de Route des Cretes gereden, een prachtige bergkamroute dwars door de Vogezen. We hebben genoten van alle mooie vergezichten.
In het zuiden van de Vogezen hebben we een mooie kleine route naar Saut de l’Ognon gelopen, een waterval in een diepe kloof.
De camperplaatsen rijd ik voorbij, omdat ze vaak langs drukke wegen liggen. Ik sta nu middenin in een bos. We horen brekende takken, gillende uilen en krekels die een avondconcert geven….. zo stil is het hier eigenlijk ook niet.
We zijn aangekomen in de Vogezen. Ik volg met Mika een wandelroute de berg op. Het is vrijwel meteen een pittige klim over grote bemoste keien en stenen. Na een tijdje is het pad nauwelijks zichtbaar, maar ik wil per se de top halen. Mika loopt soepel voor mij uit. Ik loop erachteraan, hijgend als een paard. Het zweet gutst van me af. Na een uur en een kwartier klimmen, genieten we van een prachtig uitzicht.
Uitzicht op Anould
De weg terug doen we in drie kwartier. Ik maak me zorgen over mijn enkels tijdens de afdaling. Het zou toch heel vervelend zijn als ik aan het begin van mijn reis mijn enkels breek…
Mika’s tekstwolkje: en ik maar wachten, terwijl ik mijn mama achter me hoor strompelen en hijgen als een paard…
De toiletten op de camping staan op een verhoging. Dit vergeet ik, en ik breek zowat mijn enkels… ๐
Er klinkt een ijzingwekkende schreeuw, onmenselijk bijna. Mika zit meteen rechtop in bed, en begint te grommen. Hij springt van het bed, kruipt onder het gordijntje door, en gaat tussen de voorstoelen van de bus staan. Ik kijk met hem mee uit de voorruit, maar behalve heel veel sterren, is het pikdonker om de bus heen. Er klinkt nog meer geschreeuw. Zijn het de kreten van een vos? Of van een uil? Ik heb geen idee, maar de haartjes op mijn armen staan recht overeind. Het is benauwd in de bus, maar ik durf om twee uur ’s nachts de schuifdeur niet open te zetten in dit verdwenen dorp. En zeker niet met dat geschreeuw! ๐๐ป