Betalen voor de natuur?

We rijden nog dieper Jotunheimen Nasjonalpark in, ook wel het thuisland van de reuzen genoemd. Volgens de Noorse mythologie was Jotunheimen ooit de plek waar de ‘jotner’, de reusachtige trollen woonden. Hier zijn in ieder geval enkele van de hoogste bergen van Noord-Europa te vinden.
We volgen de Norwegian Scenic Route Valdresflye, die langs onder andere het smaragdgroene Gjende-meer loopt. Ik wil stoppen bij Besseggen om daar de wandeling over de bergkam Besseggen te lopen. Deze heb ik acht jaar geleden met Marte gedaan, en vond ik één van de mooiste tochten ooit. Helaas is de  parkeersituatie er veranderd. Het kost vijftien euro voor de dag, en vijfentwintig euro om er te overnachten. Met een shuttlebusje word je naar boven gebracht om de wandeling te kunnen starten. Het parkeerterrein staat halfvol met tientallen auto’s, en biedt geen enkel uitzicht. Hoe graag ik de Besseggen ook wil lopen, dit heb ik er niet voor over.
Enigszins teleurgesteld rijden we door, maar dat duurt gelukkig niet lang. De uitzichten op de immense bergen zijn prachtig, waarvan de meesten hoger dan tweeduizend meter zijn. We passeren talloze meren, rivieren en valleien. Via de Sognefjell rijden we om het park heen, en pakken de Galdhopiggenvegen naar Juvasshytta. Ook hier zijn dingen veranderd ten opzichte van acht jaar geleden. Er moet nu ‘road toll’ worden betaald zogauw we het park inrijden. Dit keer rijd ik door, want ik wil graag een stukje van de Galdhopiggen, die met haar bijna vijfentwintighonderd meter de hoogste berg van het Noordelijk halfrond is, lopen. Daarnaast heb je ook de Glittertind, waarvan ik acht jaar geleden een stuk samen met Marte heb gelopen, en die eigenlijk nog net iets hoger was dan de Galdhopiggen. De laatste jaren is echter de gletsjer geslonken, waardoor deze berg nu net wat lager uitkomt.
Het weggetje naar boven is zeer steil met krappe haarspeldbochten. De uitzichten, de besneeuwde bergtoppen, en ook de afgronden zijn spectaculair. Hoe graag ik het ook zou willen, ik durf niet te stoppen om een foto te nemen. De weg is zo schuin, dat ik bang ben dat ons busje niet de kracht heeft om verder te rijden als we eenmaal stilstaan. Boven aangekomen, parkeer ik bij Juvasshytta, een berghut die inmiddels ook een gedaanteverwisseling heeft ondergaan en een luxe uitstraling heeft gekregen. Het is begin september, maar het parkeerterrein is nog niet eens voor een kwart vol. Samen met de honden maak ik een wandeling langs het Juvvanet. Het lichtblauwe meer schittert tegen de besneeuwde bergwand en gletsjer, die erachter liggen. Het is maar tien graden, maar de zon schijnt en het is windstil. Marte geniet zichtbaar van deze omgeving. Ze loopt stevig door en haar staart wappert fier mee. Vanuit de gletsjer horen we een soort stromend en krakend geluid. Gletsjers bewegen onder hun eigen druk, als een langzaam stromende rivier.

Na wat te hebben gegeten, en Marte ligt te slapen, koppel ik Mika en Moran aan de heupriem en lopen we richting de Galdhopiggen. Op deze hoogte is weinig groen te zien, en we lopen alleen maar over stenen. Al snel doorkruisen we ons eerste sneeuwveld. Er is verder niemand, dus ik laat de honden een tijdje spelen in de sneeuw. Moran is door het dolle heen, en glijdt op haar rug naar beneden. Vervolgens probeert ze Mika ook zover te krijgen door aan zijn staart te hangen. We klimmen nog hoger over grote steenvelden en sneeuw, totdat we bij een gletsjer komen. Ik heb niet de juiste materialen bij me om verder te gaan, en ook voor de honden vind ik dit te gevaarlijk. We keren terug richting de Juvasshytta.
Niet ver ervandaan ligt het Klimapark 2469 og istunnelen. Het is een halfuurtje lopen, maar we komen voor een dichte deur te staan. De ijsgrot is enkel op gezette tijden open, en onder begeleiding van een gids te bezichtigen.
Een stukje verderop volgen we The Sherpa Path, een pad aangelegd door sherpa’s uit Nepal. We klimmen over de stenen omhoog tot aan een morene, een stuk landvorm dat is gevormd door een gletsjer of een ijskap, waarbij de ruggen duidelijk herkenbaar in het ijzige landschap zijn. De rotspunten, die de morene omgeven, steken zwart en grillig af.

Het is al tegen zessen wanneer we terug zijn bij de bus. Helaas kan ik hier niet blijven staan, want dat kost nog eens een extra driehonderd kronen bovenop de tweehonderd die ik al betaald heb om het park binnen te komen. Langzaam rijd ik over het weggetje naar beneden. Bij sommige bochten zie ik de diepe afgronden aan ons voorbij glijden.

Aan de andere kant van de Sognefjell ligt Breheimen Nasjonalpark, een groen afwisselend landschap dat aan een uitloper van de magische Sognefjord ligt. Er zijn ook veel gletsjers te vinden, vandaar de naam Breheimen, dat ‘thuis van de gletsjers’ betekent. Ik wil graag de Jostedalsbreen, de grootste gletsjer van het Europese vasteland, zien. Maar ook hier zie ik weer dat ik road toll, eigenlijk een soort entreegeld om in het park te komen, moet betalen. Daar komen de parkeerkosten dan nog eens bovenop. Hoe graag ik ook nog dieper de natuurgebieden zou willen intrekken, houdt de vercommercialisering van dit soort gebieden me tegen. Ik begrijp niet waarom ik zou moeten betalen om een stukje natuur te zien. De natuur is toch van iedereen? De kosten van het onderhoud zou menigeen zeggen. Maar waarom is dat dan niet het geval bij buurlanden zoals Zweden en Finland? Daar kon ik daadwerkelijk van elk natuurgebied genieten, zonder dat daaraan allerlei kosten waren verbonden.

Een groots landschap

Ik trek mijn wandelbroek en oude vertrouwde bergschoenen weer aan, en loop samen met Mika en Moran de bergen weer in. Er zijn geen route markeringen, en ik volg mijn eigen pad. Er zijn geen hekken, afrasteringen of borden, die zeggen wat ik wel of niet mag doen. Wat fijn dat je voor jezelf mag nadenken. Een gevoel van vrijheid overheerst. Het korstmos knispert onder onze voeten. Kleine rode vetplantjes liggen uitgestrekt over de vlaktes. Het is ruig terrein met diepe gaten en grote stenen. We doorkruisen talloze stroompjes water en springen van steen naar steen. Ondanks de frisse berglucht, begin ik al snel te zweten. De zon schijnt, en er is geen beschutting op deze uitgestrekte open vlaktes. Ik probeer mijn oog op de berg te houden die we willen beklimmen, en tegelijkertijd op de bus en het oneven terrein dat voor ons ligt. We stijgen, en mijn kuiten beginnen te branden en ik adem zwaar. Om de tien minuten sta ik stil om op adem te komen. Mijn conditie is weer flink achteruit gegaan in anderhalve maand. Onze laatste klim was op de Cairn Gorm in Schotland, realiseer ik me. Mika en Moran lopen vol energie voor me uit. Die lijken geen problemen te hebben met hun conditie. Af en toe laat ik ze van de heupriem, zodat we ieder in ons eigen tempo over de stenen in het water kunnen springen en niet uit balans raken. Na een uurtje, dat veel langer leek, bereiken we dan toch de top. In stilte kijken we om ons heen. Rechts van ons ligt een een reeks bergtoppen met flinke dotten sneeuw. Het wit schittert ons in de zon tegemoet. Aan de linkerkant en tegenover ons ligt een glooiend heuvellandschap bezaaid met stenen en zwerfkeien, waarschijnlijk nog daterend uit de IJstijd. Altijd bijzonder om op deze manier naar het landschap en de natuur te kijken, en dan te realiseren hoeveel grootser dit is, dan het toch wel oppervlakkige leven dat wij nu in onze huizen met al onze apparaten en systemen leiden. Of leidt het gedigitaliseerde systeem ons inmiddels?
Als laatste kijken we recht voor ons, waarbij het blauw van de talloze meren en watertjes de groengrijze massa van de bergen afwisselt. In de verte zien we de grote bekende meren, de Vinstre en de Bygdin. Ook is de top van de Bitihorn van ruim zestienhonderd meter hoog te zien. Omliggende bergen zijn de Skyrifjell, Heklefjell en Olefjell. Ik weet alleen niet op welke berg wij nu eigenlijk staan, maar dat maakt niet uit. Mika en Moran maken alweer aanstalten om naar beneden te gaan, dus ik volg ze de berg af. Binnen een uurtje zijn we weer terug bij de bus. Al snel zit ik met een kop warme thee en een stuk chocola in de deuropening de bus. Ik heb mijn eetlust weer terug. Mika en Moran krijgen krachtvoer. Ik voer ze voortijdig bij, zodat ze niet teveel gewicht verliezen zoals het geval was tijdens onze bergtochten in Ierland en Schotland. Marte komt uit haar mand, en hobbelt stijfjes om de bus heen. Ze eet weer een klein beetje, en kijkt weer wat helderder uit haar ogen.
Tegen acht uur begint het al snel af te koelen. ‘We gaan lekker vroeg naar bed,’ zeg ik tegen de honden. De gordijnen van de achterdeuren laat ik open, en we zien vanuit bed de zon langzaam achter de bergen verdwijnen. Een rode gloed verlicht als laatste de contouren van de bergtoppen, als een soort aura, voordat het helemaal donker wordt. Dan zien we nog alleen maar sterren, fonkelend in het duister boven ons.

Op weg naar Noorwegen

Vol anticipatie, maar toch ook een beetje spanning draaien we in Heerde de weg op. Marte ligt weer in haar mand bij de voorstoel, Mika op bed en Moran krult zich meteen weer naast mij op de bijrijdersstoel op. De zon schijnt, maar het is gelukkig niet meer zo warm als het de afgelopen weken is geweest. Hopelijk krijgt Marte weer wat meer energie in het koude Noorden.

Binnen een uurtje rijden we de grens naar Duitsland over, en vijf uur later passeren we de grens bij Denemarken. Het is inmiddels al tegen acht uur ’s avonds, en het begint te schemeren. Ik draai de Fjordvejen op, die langs Flensborg Fjord loopt. Er liggen verschillende parkeerplaatsen langs het water, maar overal staan bordjes met ‘no camping’ erop. Wat bedoelen ze daarmee? Mag er enkel niet gekampeerd worden in een tentje of mag er ook niet overnacht worden in een camper? Er staan huizen in de buurt, dus voor de zekerheid rijd ik maar door. Volgens Park4Night ligt er net voorbij Kollund Osterkov een parkeerplaatsje waar je mag overnachten. Tot mijn opluchting klopt deze informatie. Ik zie geen bordje staan met dat kamperen verboden is. Er staat één klein ander busje. Een vrouw zit met een bord op schoot in de deuropening te eten. We groeten elkaar even kort, en daarna loop ik snel door met de honden naar de oevers van het fjord. Daar laat ik ze rennen over het smalle strookje zand en stenen. Samen met Marte loop ik over de zachte dode planten, die door de golfbeweging een lange lijn over het zand trekken, terwijl Mika en Moran voor ons uit rennen. In de verte zie ik Moran wat zeevogels opjagen, die haastig omhoog vliegen. Zij is alweer helemaal in haar element. Het nomadenleven zit nu al in haar bloed. Terug bij de bus eet ik van de aardappelsalade, die ik nog voor vertrek uit Nederland had klaargemaakt. Daarna gaan we snel slapen.

We slapen slecht, die eerste nacht op reis. Het is benauwd in de bus, en ik hoor Marte hijgen. Om half drie ’s nachts open ik de schuifdeur, en laat Marte aan de lange lijn buiten in het gras slapen. Mika en Moran maken gelukkig geen aanstalten om buiten te willen slapen, dus ik laat de deur op een kleine kier.

Na deze onrustige nacht vertrekken we al vroeg in de ochtend, en rijden weer uren over de snelweg. Halverwege de middag vind ik een plekje aan de kust bij Eneskogstorp in Zweden. Ik parkeer de bus onder een boompje, en we stappen uit. Er staan meerdere campers, ieder met een eigen stukje gras. Er is voldoende ruimte voor de honden om te rennen, en al snel spelen Mika en Moran een stukje verderop in het water. De zon schijnt, maar er waait een verkoelend briesje over het water. Marte ligt uitgebreid te rollen in het lange gras. De plek voelt goed, en ik eet de overgebleven aardappelsalade met meer smaak dan de dag ervoor.
Er hangt wel een beetje een vreemde geur, en na een tijdje word ik me ook bewust van een lage aanhoudende toon. Achter ons blijkt een saneringsbedrijf te zitten. Daar komt het geluid vandaan, maar of de geur ook van hen afkomstig is, blijft mij onduidelijk. Deze kan ook het rottingsproces van de planten aan de kust zijn, in combinatie met het zoute water. Het lijkt op sommige plekken bijna op een moeras, en er zijn veel vliegen.

Aan het einde van de middag maken we een lange wandeling, zodat Moran haar overtollige energie een beetje kwijtraakt. Ze is erg druk, en ik weet niet of dat komt omdat we de afgelopen twee dagen gemiddeld zes uur per dag in de bus hebben gereden of omdat ze toch weer even moet wennen aan het afwisselende bestaan van een nomade.
In de avond genieten we van een mooie zonsondergang over het water. Het koelt af, en we slapen die nacht een stuk beter.

Na een flinke wandeling, vertrekken we pas in de middag richting Noorwegen. Drie en een half uur later passeren we de Noorse grens. Het is alweer aan het einde van de middag, en ik vind al snel een parkeerplaats net voorbij Tristedalen aan het meer Femsjoen. Het is er rustig, en er staan maar een paar auto’s. Mika en Moran rennen er vrij rond over het stuk zandstrand langs het water. Ik loop ondertussen naar het informatiebord, en lees dat hier niet gekampeerd mag worden. Maar eronder hangt een geplastificeerd A-viertje met dat er voor tweehonderd Noorse kronen mag worden overnacht. Het geld kan je overmaken op het opgegeven banknummer onder vermelding van je kenteken. Ik twijfel, want ik vind die twintig euro wel erg veel geld voor een toilet, dat niet meer dan een gat in de grond is, en een paar vuilnisbakken. Na wat wikken en wegen besluit ik om niet te betalen. Ik vind het papiertje wel erg provisorisch overkomen, en er staat ook niet bij vermeld van wie of welke organisatie het afkomstig is.
Ik bak de laatste paar sneden brood met kaas op in een koekenpannetje. Daarbij eet ik een salade van het laatste stukje komkommer, wat tomaten en rucola uit de koeltas. Als toetje neem ik de laatste stukken meloen. Nu zijn alle verse producten op.
Wanneer we die avond in bed liggen, horen we nog wat auto’s af en aan rijden, wat geschreeuw en harde muziek. We hadden toch wat verder van de mensen moeten afzitten, bedenk ik me.

‘Eindelijk zijn we weer in de bergen,’ zeg ik tegen de honden, terwijl we langzaam met de bus omhoog klimmen over de RV 51 dwars door Valdres Natur- og Kulturpark. Aan weerskanten van de weg herrijzen de bergen, uitgestrekte groene vlaktes met grote stenen en rotskammen. ‘Ooit moet ik in de bergen hebben geleefd, want het voelt als thuiskomen.’ Mika springt van het bed en komt naast me staan. Hij kan met uitgestrekte nek net over het dashboard heenkijken en snuift diep. Hij ruikt de bergen. Moran gaat rechtop zitten in de bijrijdersstoel. Alleen Marte heeft niks meer door. Die slaapt rustig verder in haar mand.
We rijden naar een parkeerplaatsje bij Valdresflya, dat een gebied rondom de RV 51 beslaat op een hoogte van 1.389 meter. Er staan twee caravans en een camper, dus het is er heerlijk rustig. We stappen uit en kijken om ons heen, een 360 graden panorama aan bergen, ruig en kaal. ‘Eerst gaan we wat eten, en daarna wandelen,’ beloof ik de honden. We zaten vanochtend om negen uur alweer op de weg, en het is nu halverwege de middag. Ik kook het gebruikelijke potje spaghetti met vis en groente uit blik en veel gesmolten kaas, en verdeel dit over mijn bord en de bakken van de honden. Mika en Moran eten er gretig van, maar Marte ruikt er even aan en keert zich dan met haar rug naar haar etensbak toe. Ik maak me zorgen. Vanochtend weigerde ze ook al haar ontbijt, en de dag ervoor at ze met tegenzin. Ze is inmiddels veertien en een half jaar oud. Zou ze nu toch te oud worden voor het reizend nomadenbestaan? Het warme weer van de afgelopen weken vermoeide haar, maar hopelijk knapt ze weer op, nu we in de koele berglucht staan.

Warme dagen en vakantiedrukte

Op de weer app zie ik dat het de komende dagen erg warm wordt, met temperaturen van net onder de dertig graden. Dat betekent dat we Marte niet kunnen achterlaten in de bus om lange wandelingen te maken. Waarschijnlijk hebben Mika en Moran ook helemaal geen zin om lange wandelingen in dit soort hitte te maken. We kunnen in ieder geval niet op de onbeschutte parkeerplaats bij de Cairngorms blijven staan. Ik rijd de berg weer af naar Loch Morlich, waar ik op de heenweg parkeerplekken onder de bomen aan het meer heb gezien. ‘Daar was ik al bang voor,’ mompel ik terwijl ik de parkeerborden lees. Je mag er niet overnachten. Hetzelfde geldt voor de parkeerplaatsen ertegenover bij Glenmore Forest Park. Aangezien het al tegen acht uur ’s avonds is, is onze enige optie voor nu om langs de weg te parkeren aan de rand van het meer. Er staan meer auto’s en campers op deze manier geparkeerd. Het voelt niet erg veilig, want auto’s zoeven voorbij, waarbij je de zuigende luchtdruk voelt van elke passerende auto. Maar het is even niet anders. Voor ons staat een auto met ernaast een tentje halfverscholen tussen de struiken. Het zijn twee vrienden, die samen een weekendje vissen zijn. ‘Ik kom hier al zo’n tien jaar, maar de laatste paar jaar is er veel veranderd,’ zegt de man. ‘Vroeger kon je overal vrij staan, maar nu moet je voor alles betalen. Ik ben pizzabezorger en probeer een gezin met twee kinderen te onderhouden, maar ik verdien gewoon niet genoeg om dit soort dingen te kunnen betalen. Ik kreeg laatst zelfs een boete, omdat ik niet over de juiste visvergunning bleek te beschikken.’ ‘Dat is toch raar,’ voegt zijn vriend toe. ‘We zijn hier geboren, en kunnen niet eens onszelf van ons eigen voedsel voorzien, zonder dat we ervoor moeten betalen.’ Ze gaan een biertje drinken in de pub, terwijl ik op hun spullen pas. Die nacht slapen we onrustig. De temperatuur blijft rond de twintig graden hangen en ik hoor Marte hijgen van de warmte.

De volgende ochtend word ik om half zeven wakker en kruip in mijn ondergoed achter het stuur. Ik draai een paar honderd meter verder de parkeerplaats aan het meer op en zoek een plekje onder de bomen uit. Hopelijk komen we zo de dag door. Ik loop naar de betaalautomaat en schrik van het bedrag. Voor een klein busje is het dagtarief veertien pond, enkel te betalen in muntgeld. Ik sta een tijdje te dubben, want dat heb ik niet op zak. Uiteindelijk betaal ik het dagtarief voor een auto van vier pond. Hopelijk accepteren ze mijn tegemoetkoming, en ik plaats het parkeerkaartje achter de voorruit van de bus. Ik vind het sowieso erg veel geld voor iets waar verder geen andere faciliteiten, zoals een toilet of een vuilnisbak, worden geboden. Na een korte wandeling genieten we van ons ontbijt, terwijl we uitkijken over Loch Morlich. De bergen aan de overkant reflecteren op het spiegelgladde oppervlak van het water. In de verte schittert de skipiste van de Cairngorms in de zon. Hier en daar zijn nog enkele dotten sneeuw hoog in de bergen te zien.

De honden happen naar de vele dikke vliegen, en ik heb het vermoeden dat er heel wat mensen hun behoeften doen inde nabije bosjes rond het meer. Het is pas tegen tienen in de ochtend, maar de mensendrukte komt al op gang. Dat is ook wel begrijpelijk, want velen van hen zullen hun verkoeling de komende dagen bij het water zoeken. De temperatuur stijgt, en ik hoor Marte alweer hijgen. Meerdere keren leid ik haar naar buiten om in de schaduw onder de bomen te liggen, maar het is alsof ze het niet meer begrijpt, en elke keer springt ze met veel moeite terug in de warme bus. Ik begin steeds meer te twijfelen aan mijn planning. Ik wil de komende twee warme dagen uitzitten aan het meer. Daarna wil ik terugrijden naar Fort William om nog een poging te wagen om een deel van de Ben Nevis te lopen. Vervolgens wil ik in ongeveer drie tot vier dagen tijd langs de oostkust terug naar Harwich rijden, om daar de ferry terug naar Nederland te pakken. Maar is dit eerlijk tegenover Marte? We reizen al veel langer rond dan ooit gepland. De warme dagen zijn nu hier en de vakantiedrukte komt op gang. Misschien moet ik dankbaar zijn voor alles wat we hebben gezien en gedaan, en er tevreden mee zijn. Misschien moet ik de Ben Nevis dan toch eindelijk maar loslaten. Ik kijk nog een keer naar Marte, die ligt te hijgen. ‘Het is goed meisje, we gaan,’

In de daaropvolgende twee dagen rijden we vanaf de Cairngorms terug naar Harwich, een rit van bijna duizend kilometer langs het midden en de oostkust van Engeland. Ik had er graag wat langer over gedaan, maar de met de airco gekoelde bus is een welkome verademing ten opzichte van de warme temperaturen buiten. De honden lijken het in ieder geval niet erg te vinden. Marte ligt vrijwel de gehele weg diep in slaap in haar mand, Mika ligt languit als een prinsje op bed achter mij en Moran naast mij op de bijrijdersstoel. We passeren de grens van Schotland naar Northumberland in de noordoosthoek van Engeland. Een relatief dunbevolkt gebied met alleen maar kleine stadjes en dorpen, afwisselende natuurgebieden en landschappen, waaronder de Chevoit Hills. Vervolgens komen we langs het Penninisch Gebergte, een vierhonderd kilometer lange heuvelrug in het midden van noordelijk Engeland. We zien de hooggelegen heidevelden, de zogenaamde ‘moorland’, moerasgebieden en hooglanddalen in de verte liggen. In de North Pennines schijnen alpiene plantensoorten te groeien, die nergens anders in Engeland te vinden zijn. Ten oosten van het Penninisch Gebergte ligt het Yorkshire Dales National Park. Donkere heuveltoppen, steile hellingen, groene dalen met stapelmuurtjes, boerderijen en veldschuren markeren het landschap. Aan het begin van de avond rijden we North York Moors National Park binnen. We parkeren bovenop een heuvel, niet ver vanaf Young Ralph Cross. Het is nog steeds erg warm, maar hierboven waait een zacht windje. De honden liggen in het lange gras in de schaduw van de bus. We kijken uit over de heuvels, die begroeid zijn met heide. Alles oogt dor en bruin, maar ik kan me voorstellen dat wanneer aan het einde van de zomer de heidevelden in bloei staan, ze verkleuren van bruin naar paars. Langzaam verdwijnt de zon als een grote oranje bal achter de heuvels. In de vallei zien we een paar kleine lichtjes branden van het dorpje Botton. Af en toe passeert er nog een auto, maar verder is het stil. Net voordat het donker wordt, lopen we een kort stukje over de hei naar Young Ralph Cross. Meerdere keren schrikken we van de bruine gedrongen vogels, die op het laatste moment met veel gekakel vanonder een heidestruik onhandig omhoog vliegen. Het blijken de Schotse Sneeuwhoenders te zijn. Ik ken ze alleen maar van het plaatje op de whiskyfles van The Famous Grouse. Het kruis van Young Ralph tekent zich af tegen de donkere avondlucht en fonkelende sterren. Volgens sommige historici dateert het stenen kruis uit de elfde eeuw en zou volgens lokale folklore de plek zijn waar een non en een monnik een affaire hadden, totdat ze werden ontdekt en ter dood werden veroordeeld. Ook weer een fijne gedachte zo in het donker alleen op een heuvel. Het is nog steeds vierentwintig graden wanneer we terug zijn bij de bus. Ik laat de schuifdeur open en leg de honden vast aan een lange lijn voor de bus. Het is pikdonker, en ik vind het geen prettig idee om op deze stille plek met de deur open te slapen, maar het is de enige manier om wat verkoeling te hebben.

De volgende ochtend zijn we al vroeg wakker. Eigenlijk heb ik nauwelijks geslapen. De warmte en de open bus in het stille donkere landschap, maakte dat ik waakzaam bleef en niet echt de slaap kon vatten. De honden genieten van de vroege ochtendlucht. Ondanks hun bruine uiterlijk geurt de heide naar zoet en aarde. Tegen tien uur is het alweer achtentwintig graden, en draaien we de weg weer op. We rijden urenlang over de snelweg. Steeds vaker zien we auto’s met pech langs de weg staan. Het warme weer zorgt voor oververhitting en op sommige plekken lijkt het wegdek te smelten. ‘Ik hoop maar dat ons busje het volhoudt,’ zeg ik meer dan eens tegen de honden. Er komt geen reactie, want ze liggen alle drie met hun ogen halfdicht te soezen in het briesje van de airco. Ik twijfel of ik via een omweg langs Suffolk Coast en Heaths zal rijden, een beschermde kustlijn in het oosten van Engeland. Het bestaat uit veel moerasland, heidevelden en riviermondingen. Verder liggen er enkele fraaie badplaatsjes, maar gezien de vakantiedrukte besluit ik uiteindelijk om door te rijden. Met deze warmte heeft het toch geen zin om te wandelen. Aan het einde van de middag komen we aan bij Wrabness Nature Reserve, de parkeerplaats waar we precies tien weken geleden onze eerste nacht in Engeland doorbrachten. Er staat een grote combinatie trekauto met caravan. Een man staat op uit zijn klapstoel en helpt me met handsignalen om zoveel mogelijk in de schaduw van de bomen te parkeren. ‘Wil je een kopje groentesoep,’ vraagt hij wanneer ik uitstap. ‘Nou lekker.’ Ik installeer de honden in het lange gras onder de bomen en neem plaats in de klapstoel naast hem. Hij heeft Isle of Skye bezocht en neemt, net als ik, de ferry morgenochtend terug naar Nederland. We ontdekken een nieuw bord op de parkeerplaats die overnachtingen verbiedt. ‘Die stond er nog niet drie maanden geleden, en meestal zou ik op zoek gaan naar een andere plek, maar daar ben ik nu te moe voor,’ laat ik hem weten. Ook hij kiest ervoor om te blijven. Gelukkig maar, want dan sta ik tenminste niet alleen. Ik laat de schuifdeur die nacht weer openstaan, en slaap een stuk beter nu ik weet dat er iemand in de buurt is. ‘Ons laatste nachtje in Engeland,’ zeg ik ietwat naargeestig tegen de honden.

Met een dubbel gevoel verlaten we de volgende dag Engeland. Langzaam verdwijnt de haven van Harwich uit het zicht, terwijl de meeuwen boven onze hoofden hun gedag schreeuwen. De ferry deint rustig op en neer op het bijna gladde zeeoppervlak. Met weemoed denk ik nu al terug aan de prachtige gebieden die we hebben bezocht: de ruige bergen, de rotsige kustlijn en de groene valleien. Een land veel mooier dan ik ooit van te voren gedacht had. Ik mis het nu al.

De berg die energie geeft

We kijken tegen een immens grote rotswand aan, die ons het zicht op de Ben Macdui ontneemt. We zien een klein pad schuin langs de rotswand omhoog kruipen, maar voordat we daaraan toekomen, ligt er een groot veld met enorme stenen voor ons. Dat moeten we eerst zien te overbruggen. Samen met de honden spring ik van steen naar steen. Ze zijn glad, hoekig met scherpe randen. Moran doet dapper mee, maar ik zie dat ze de grote sprongen eng vindt. Ze twijfelt, maar springt toch, omdat ze niet achter wil blijven. Ik stop, want ik vind het teveel gevraagd van een jonge hond van net een jaar oud. We staan een tijdje stil op een grote steen te kijken naar het stuk dat nog voor ons ligt. Nee, dit vind ik onverantwoord. ‘We gaan terug,’ zeg ik tegen de honden. Ze lijken het dit keer niet erg te vinden, en we zijn alle drie opgelucht wanneer we de grote stenen achter ons kunnen laten.

Binnen twee uurtjes zijn we alweer terug bij de bus. Dat is niet erg, maar ergens laat de gedachte me niet los dat ik de Ben Macdui wil zien, de op één na hoogste berg van Schotland, na Ben Nevis. Met zijn ruim dertienhonderd meter is het in ieder geval de hoogte berg van de Cairngorm Mountains. Aan het einde van de middag besluit ik toch nog een poging te wagen. Temidden van de droogliggende skipistes klimmen we steil omhoog op de Cairn Gorm, waaraan de naam van het natuurgebied ontleend is. Cairngorm National Park ligt in de oostelijke Hooglanden en beslaat een oppervlakte van meer dan vierduizend vierkante kilometer. Centraal in de Cairngorms ligt een massief van meerdere bergtoppen. De naam Cairn Gorm is afkomstig uit het Gealic en betekent zoiets als blauwe of groene heuvel. Na een uurtje klimmen laten we het skigebied achter ons, en strekken de toendra-achtige hoogvlaktes zich voor ons uit. We zien niets anders dan gras en stenen. Hoewel het niet mijn plan is om zo laat in de middag nog de top van de Cairn Gorm te halen, komt deze steeds dichterbij. We klimmen hoger en hoger, en uiteindelijk komt de grote stenen toren bovenop de berg op 1245 meter hoogte in zicht. ‘Joehoeeeeeeeeee,’ roep ik uitgelaten. De honden kijken verbaasd achterom, want zo horen zij mij niet vaak. Om ons heen strekken de bergen zich uit in een blauw-groene waas. De naam is dus eigenlijk wel heel passend. In de diepte zien we de bergwand met het stenen veld ervoor, waar we in de ochtend tegenaan liepen. Daarachter denk ik de top van de Ben Macdui te ontwaren. Ertussen liggen twee meren op verschillende hoogvlaktes, met daarachter weer meer bergen en grote stenen puinhellingen. ‘Toch gezien,’ zeg ik opgetogen tegen de honden. De wind waait hard en al snel koelen we weer af. Met nieuwe energie, die de berg me gegeven heeft, dalen we af naar beneden.

Nog meer vuurtorens en weer samen op de foto op het meest noordelijke puntje van het Verenigd Koninkrijk

We vertrekken, zonder te ontbijten, vroeg in de ochtend naar Dunnet Head Lighthouse. Ik hoop de vakantiedrukte voor te zijn en er een goede parkeerplek te vinden om de dag door te brengen. Dat lukt, en we parkeren voor het stenen hek met ruimte aan de graskant voor de honden. Rechts zien we het puntje van de vuurtoren en voor ons hebben we uitzicht over de zee.

Ik loop er een rondje met de honden. De vuurtoren valt blijkbaar onder particulier bezit, want een bordje op het toegangshek geeft aan dat het enkel toegankelijk is voor lokale bewoners. Dunnet Head Lighthouse is een nog actieve vuurtoren, die op de driehonderd meter hoge klif van Dunnet Head staat, het meest noordelijke puntje van het Britse vasteland. De zon begint te schijnen, en we hebben helder zicht op de rotsachtige kust van de Orkney-eilanden.

We lopen verder langs een aantal kleine stenen gebouwtjes. Deze zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog gebouwd om de basis in Scapa Flow te beschermen. Ik kan verder helaas geen wandelroutes ontdekken, dus ook hier zijn we na een halfuurtje uitgewandeld. We ontbijten naast de bus, maar er waait een koude harde wind en de honden geven er al gauw de voorkeur aan om binnen te liggen. De drukte komt op gang en auto’s rijden af en aan. Mensen lopen er een rondje, en de meesten zijn na een halfuurtje weer vertrokken. Ik sluit de schuifdeur en de zon warmt de bus op. Ik installeer mezelf met een kop thee op het bankje en schrijf urenlang in mijn reisdagboek.

Aan het einde van de middag rijden we naar John o’Groats, een dorp in het uiterste noorden van Schotland. Het zou de naam ontlenen aan een Nederlander, Jan de Groot, die in 1496 het veerrecht tussen Schotland en de Orkney-eilanden verwierf van koning Jacobus IV van Schotland. Ik rijd een rondje over de parkeerplaats, maar kan er niet echt een goede parkeerplek vinden, waarbij ik ook ruimte heb voor de honden. Die is er wel, maar dat is alleen waar de bussen mogen staan. Aan die kant is een mooi stuk gras. De parkeerplaats is omringd door toeristenwinkeltjes en eetgelegenheden. Het doet me sterk denken aan Land’s End, het meest zuidwestelijke puntje van Engeland. Ik besluit om toch nog een kwartiertje verder te rijden naar Duncansby Head Lighthouse. Ik kan niet ontdekken of er überhaupt een parkeerplaats is, maar ik gok het erop. We rijden naar het meest noordoostelijke deel van zowel het Schotse als het Britse vasteland. Het laatste stukje gaat uiteraard weer over een klein eenbaansweggetje dat steil omhoog loopt. Bovenop de klif staat de, nog altijd werkende, vuurtoren uit 1924 in haar witgele kleuren. Er is een parkeerplaats, waar ik gelukkig met relatief gemak kan keren, want dat is nog wel eens de vraag aan het einde van dit soort weggetjes. Er lopen veel schapen, dus ik leg de honden vast aan de lange lijn, terwijl ik de enorme hoeveelheid tekst op het bord bij de parkeerplaats lees. Uiteindelijk kan ik eruit ontwaren dat je er niet mag overnachten. Ik twijfel over wat ik moet doen, maar aangezien het al tegen zessen is, ga ik eerst maar eens een potje spaghetti koken terwijl de honden een flinke bak met brokken krijgen. Er parkeren af en toe wat auto’s, en wandelen mensen er een rondje, maar langzaamaan wordt het steeds stiller. We kijken uit op de vuurtoren, waarvan het wit schittert in de avondzon. De zee ligt er bijna golvenloos bij. In de verte is één van de Orkney-eilanden, Muckle Skerry, ten noordoosten van Duncansby Head te zien.

Voor onze avondronde besluit ik het kustpad naar de zogenaamde Duncansby Stacks te volgen. We lopen over de zandstenen kliffen, waarvan sommigen wel tot zestig meter hoog zijn. Ze doen mij denken aan de Cliffs of Moher in Ierland, net zo ruig en ongestadig. Al snel zien we een stel grillige zeepilaren en een rotsachtige boog naast de hoge kliffen. De avondzon baadt hun toppen in een diep roodoranje kleur. Daaronder oogt het donker en onheilspellend. Het geschreeuw van de verschillende zeevogels weerkaatst tegen de wanden, en het klinkt op deze late zomeravond bijna spookachtig. Het pad loopt verder als een donkere kronkelende lijn over de lage paarse heide bovenop de kliffen. Mika en Moran lopen voor me aan de heupriem, de witte punten van hun gekrulde staarten wuivende in de koele avondbries. Na een uur houdt het pad er vrij abrupt mee op. Er staat een halfstenen muurtje van wat misschien ooit een huisje was, en er stroomt een beekje richting de kliffen. Er zijn geen stapstenen, en ik zie geen mogelijkheid om het te overbruggen zonder natte voeten te krijgen. Na nog een laatste blik te hebben geworpen op het stenen muurtje, me afvragend of hier ooit mensen hebben gewoond, keren we om. Ik zet er flink de pas in, want we moeten nog minstens een uur lopen, en ik schat dat tegen die tijd de zon wel onder is. De bus staat in de gloed van de laatste goudgele stralen van de avondzon op een verder lege parkeerplaats op ons te wachten. Even twijfel ik met de sleutel in mijn hand: hier alleen overnachten of terug naar de parkeerplaats bij John o’Groats? Ik kies voor het laatste. Geen mooi uitzicht, maar dan kan ik tenminste de toeristendrukte voor zijn.

Binnen twintig minuten ben ik terug in John o’Groats en parkeer de bus in het ruime parkeervak dat eigenlijk bedoeld is voor de bus, met een mooi stuk gras aan de zijkant. We lopen nog een kort rondje, zodat Marte ook nog even kan plassen. Ook hier staat, net als bij Land’s End, een bordje met een verwijzing naar het meest noordelijke en zuidelijke puntje van Engeland. Hier hoeven de mensen in ieder geval niet te betalen voor een foto. Ik positioneer de honden naast het bordje. Een hondenuitlater biedt aan om een foto van ons allemaal te nemen. Dat is wel heel toevallig. Op zowel het meest zuidelijke als noordelijke puntje wordt het me aangeboden, en sta ik samen met de honden op de foto.

Een kunstenaarsdorp en het vinden van een geschikte overnachtingsplek

Na drie relaxte dagen op de camping zijn we vanochtend naar Balnakeil Craft Village gereden, dat slechts een paar kilometer ten westen van Durness ligt. Het kunstenaarsdorpje biedt een breed scala aan unieke kunst aan. De wat sober ogende blokgebouwen deden voorheen dienst als een kazerne voor de militairen die er in de jaren vijftig de noordelijke kust van Schotland bewaakten. Het was bedoeld als een verdedigingslinie in het geval van een nucleaire aanval. Vanaf de jaren zestig begon een nieuwe gemeenschap van ambachtslieden en artiesten de gebouwen om te bouwen tot woningen en workshops. Ik loop er een tijdje rond en bekijk diverse kunstcollecties van aardewerk, glas en hout, breigoed, schilderijen en prints. Daarna rijd ik met de bus een stukje verder tot aan het einde van het weggetje, waar Balnakeil Beach ligt. We parkeren naast een oude kerkruïne en oude grafstenen, die uit de twaalfde eeuw blijken te stammen. Ertegenover staat een oud herenhuis, dat het strand overziet. Het is halverwege de middag en de zon schijnt. Dat geeft het strand een heel ander gezicht dan de dag ervoor, toen ik vanaf de camping het stuk in de wind en de regen tot aan Faraid Head liep. Toen oogde alles woest en verlaten. Maar nu loop ik samen met de honden over het strand onder een vrijwel wolkenloze lucht en strakblauwe zee aan onze voeten. We kijken uit over de omliggende bergen van Cape Wrath, het meest noordwestelijke puntje van het Britse vasteland.

Aan het einde van de middag besluit ik om naar Strathy Point Lighthouse te rijden. Dat lijkt me een mooie plek om te overnachten. Twee uur later rijden we op een klein weggetje, en ik zie al op afstand dat er een hek staat. De vuurtoren is erachter in de verte te zien. Je mag ernaartoe lopen, maar honden zijn niet welkom, staat er op een bord. Het is de eerste keer dat ik dit tegenkom in Schotland. Wat een teleurstelling, maar het heeft dus geen zin om hier te blijven staan. Ik zoek verder en kies voor Melvich Beach, waar je op de parkeerplaats zou kunnen overnachten. Het is een klein halfuurtje rijden, maar ook hier versperren hekken de toegang tot het strand. Verdorie, het zit tegen. Opnieuw ga ik op zoek naar een geschikte overnachtingsplek. Een klein stukje verderop ligt Sandside Bay Beach, maar dan lees ik dat het vlakbij de voormalig kerncentrale Dounreay ligt, waar heel wat radioactiviteit is vrijgekomen. Er staan waarschuwingsborden dat je niets mee mag nemen vanaf het strand vanwege besmettingsgevaar. Daar wil ik mijn honden toch ook niet aan blootstellen. De volgende geschikte overnachtingsplek zou op de parkeerplaats bij Dunnet Head Lighthouse zijn, maar dat is nog ruim een uur rijden. Ik twijfel. Het is al tegen zeven uur in de avond, en we moeten nog eten. Een stukje terug, net voor Melvich, had ik een parkeerplaats langs de weg gezien. Aangezien het niet zo heel druk is op de weg, lijkt het me voor vannacht de meest geschikte plek om te staan. Ik rijd een stukje terug en parkeer naast twee andere campers. Er loopt zelfs een pad richting de kust, maar die houdt er na een kwartiertje al mee op. Het geeft de honden in ieder geval een beetje beweging en hebben ze kunnen plassen. Terwijl we eten, kijken we uit over langgerekte met heide begroeide heuvels. In de verte is een boerderij te zien, en we horen het blaten van de schapen. Zo slecht is deze plek uiteindelijk nog niet.

Een bijzondere grot en een herinnering aan John Lennon

Het is een enorm donker gapend gat. Langzaam lopen we er naar binnen. De temperatuur daalt meteen een paar graden en de wanden van de grot voelen nat en koud aan. Mika en Moran kijken voorzichtig om zich heen. Er lopen meer mensen rond, dus dat stelt ze enigzins gerust. Smoo Cave schijnt de grootste grot van het Verenigd Koninkrijk te zijn, met een opening van wel veertig bij vijftien meter. We steken een houten bruggetje over en horen van verre het water al stromen. In de grot is een waterval die twaalf meter naar beneden klettert. We voelen de koele watermist op onze huid. Smoo Cave is bijzonder omdat het eerste deel van de grot in de kalksteenkliffen is uitgesleten door de werking van de zee, terwijl het tweede deel is ontstaan door een zoetwaterstroom. Er worden rondleidingen in een bootje gegeven, maar de honden mogen niet mee. In plaats daarvan maken we een rondwandeling over de kliffen langs Geodha Smoo. Op onze terugweg naar de camping lopen we langs het John Lennon Memorial. Het schijnt dat hij als kind een groot deel van zijn vakanties doorbracht in Durness en dat één van zijn liedjes ‘In My Life’ hierop geïnspireerd is.

Dansen op de wind

‘Er komt een storm,’ zegt de campingeigenaar. De afgelopen uren is het steeds harder gaan waaien en ik zie mensen hun tenten met extra touw en haringen verstevigen. De zee buldert tussen de rotsen in de diepte bij Sango Sands Beach. Grote golven spoelen aan op het strand. Ik ben nu eigenlijk wel blij dat ik niet met de bus bovenop de kliffen sta. Met een wiebelende bus zou ik steeds het idee hebben dat ik eraf geblazen zou worden. Met een volle boodschappentas loop ik terug naar de bus, waar de honden aan de lange lijn liggen te wachten. Zij vinden het wel prettig om een paar dagen op een vaste plek te staan. De luifel, die ik net had uitgezet, wappert hard in de wind. De was staat eronder te drogen. Af en toe regent het zachtjes. Het schijnt hier meer dan tweehonderd dagen per jaar te regenen. Durness heeft slechts vierhonderd inwoners, maar is daarmee toch de grootste bewoonde plaats van het noordwesten van Schotland. Het is een rustig dorpje met een prachtige kustlijn. De rotsen die hier te vinden zijn, stammen nog af uit het Precambrium, zo’n 4560 miljoen jaar geleden. Ik pak de boodschappen uit en zet het weg onderin het aanrechtkastje. We hebben weer vers brood, boter, kaas en fruit, en natuurlijk chocola. Ik deel mijn warme mince pie met de honden. Daarna eet ik een beker chocoladeijs met caramel leeg. Ik heb geen vriezer, dus het moet wel op. ‘Wat vervelend ‘, zeg ik tegen de honden. Zij mogen het laatste restje uit de beker likken. Ik hoor een klap en zie dat het wasrek omver is geblazen. Ik had het nog wel vastgezet met een zware ligstoel en uitklaptafel. Ik pluk mijn ondergoed uit de struiken en leg alles te drogen over de twee voorstoelen in de bus. De luifel rukt weer met veel geweld aan de bus. De honden kijken verschrikt om zich heen. Er zit niks anders op dan het weer af te breken. De tentstokken zijn gewoonweg niet bestand tegen dit soort stormgeweld. Ik trek het los van de bus en vlieg zowat samen met de luifel, die fungeert als een soort zeildoek, de lucht in. Mika en Moran vinden het allemaal wel leuk, en springen rondjes om mijn vliegpoging heen. Marte zoekt bescherming in haar mand in de bus. Die is te oud voor dit soort opwinding. Ik prop de luifel, tentstokken en haringen achterin de bus. De wind staat er haaks op, en nu krijg ik de schuifdeur niet meer open. Via de bestuurderskant kruip ik naar binnen en open de schuifdeur aan de binnenkant door er met mijn hele gewicht tegenaan te hangen. Mika en Moran zien het als een kiekeboe spelletje en springen vol enthousiasme naar binnen. Die avond zit ik aan de chips en de warme chocolademelk, terwijl de bus danst op de golven van de wind.

Een ielige waterval met een grote naam

Ik sta in de ochtend de dekens uit te kloppen, wanneer om acht uur de eerste buslading vol toeristen in John o’Groats wordt afgeleverd. Ze lopen achter de reisleider aan naar de ferry, die hen naar één van de Orkney-eilanden zal brengen, onderwijl foto’s makend van alles wat ze tegenkomen. Ook de honden worden veelvuldig gefotografeerd. Dat zijn ze inmiddels gewend, en ze gaan er nog maar eens makkelijk voor zitten. Moran kwispelt iedereen vrolijk gedag, terwijl Mika wat terughoudender is en stug de lens inkijkt. Na een klein rondje langs de toeristenwinkeltjes in John o’Groats, rijden we urenlang door het heuvelachtige landschap langs de oostkust van Schotland richting het zuiden. Aan het begin van de middag parkeer ik de bus bij Falls of Foyers. Het is er erg druk, en ik weet nog maar net één van de laatste parkeerplekken te bemachtigen. Samen met de honden loop ik naar de zestig meter hoge waterval toe. Het is een korte wandeling door een kloof aan de oevers van Loch Ness. De lange dunne stammen van dennen tornen boven het pad uit en overal groeit weelderig groen. ‘Is dat het nou?,’ zeg ik tegen verbaasd tegen de honden. Een ielig stroompje water klettert langs de rotsen naar beneden. Mensen verdringen elkaar om foto’s te nemen. Ik heb voor mijn gevoel toch veel mooiere watervallen gezien op de minder toeristische plekken. Al snel zijn we weer terug bij de bus. Het is warm, eenentwintig graden. Dat zijn we niet gewend. Marte zoekt de koelte op in het hoge gras naast de parkeerplaats, terwijl Mika onder de bus duikt. Alleen Moran lijkt er geen last van te hebben, en zit rustig naast me op het bankje, kijkend naar de niet aflatende stroom mensen die voorbij komt. Aan het einde van de middag koelt het wat af en neemt de drukte ook wat af. We laten Marte achter in een verkoelde bus en volgen één van de aangegeven wandelroutes. Meerdere keren raken we het spoor bijster, maar uiteindelijk bereiken we Loch Ness. Mika en Moran spelen op het stenen strand langs de oevers van het meer, dat wordt omgeven door bergen. Even verderop zie ik mensen zoekend om zich heenkijken. ‘Volgt u ook één van de onnavolgbare wandelroutes?, vraag ik hen. ‘Ja, maar wij komen er niet uit’. We puzzelen nog een tijdje samen aan de route, maar uiteindelijk geven we het op. Ik loop dezelfde weg terug door de kloof als dat ik gekomen ben.

Terug bij de bus twijfel ik of ik hier wil blijven overnachten. De parkeerplaats biedt geen enkel uitzicht, en er zijn geen duidelijke wandelroutes, het is er toeristisch en ik hoor ook nog eens continu een soort stofzuigergeluid. Bij navraag in het winkeltje blijkt het afkomstig te zijn van een klein elektriciteitsnetwerk, dat stroom opwekt voor een aluminiumfabriek. Nee, hier heb ik dus geen zin in. Ondanks dat ik vandaag al vier uur heb gereden, kies ik er toch voor om door te rijden naar Cairngorm National Park. Twee uur later rijden we tegen acht uur ’s avonds het grote parkeerterrein bij de Cairngorms op. Het oogt niet bijzonder aantrekkelijk met al die skiliften, hekken, containers en bijgebouwen, maar ik parkeer de bus in een hoek zodat we toch nog een mooi uitzicht hebben op de lager gelegen heuvels rondom Glenmore en Loch Morlich. Er staan een paar andere campers en auto’s. Na een kleine maaltijd van crackers en kaas en een korte plasronde, gaan we vroeg naar bed.