Stil aan zee

De zon verdwijnt achter de rotsen bij Oldshoremore Beach. We zijn hier aan het begin van de avond aangekomen, en genieten van onze vrijheid op een vrijwel leeg strand. Het is eb, en de laagstaande zo’n reflecteert in het water dat in de ribbels van het zand is achtergebleven. Dotten zeewier en opvallend veel kwallen liggen verspreid over het zand. Gelukkig stappen de honden eromheen. De bus staat geparkeerd op een nabij gelegen weiland, dat beschikbaar is gesteld door lokale bewoners. Op het hek staat dat je er voor vijf pond mag overnachten. Het is alleen onduidelijk waar je het geld moet achterlaten. Samen met een paar andere camperaars zoeken we naar een honesty box, maar we kunnen niks vinden. Misschien dat ze vanavond het geld komen ophalen, besluiten we uiteindelijk. In de schemer kijk ik uit op de rotsen bij de zee, een paar huizen aangebouwd tegen de heuvelrug en een stenen muurtje om een aantal oude graven. Behalve de zee en het gekwetter van de leeuwerik, is het stil.

Een stoere vuurtoren en een zeestack

Ik ben op weg naar Stoer Lighthouse. De B869, ook wel bekend als de Drumbeg Road, is een prachtige rit door het Sutherlandse landschap in de noordelijke Hooglanden van Schotland. Bergen, meren en de zee wisselen elkaar af, en het liefst zou ik bij elke bocht van de weg willen stoppen om het uitzicht in me op te nemen. Het eenbaansweggetje naar de vuurtoren draait door rotsige bergtoppen. Hier en daar ligt een huis verscholen achter een rots, maar voor de rest oogt het ruig en verlaten. De schapen hebben hier weer vrij spel en blijven rustig op de weg liggen terwijl je probeert te passeren. Mika en Moran maken zich behoorlijk kwaad, en staan voor het merendeel van de rit met hun neuzen tegen het raam geplakt. Er staat maar één andere buscamper op de parkeerplaats bij Stoer Lighthouse. Ik loop een korte plasronde met de honden in de harde wind. De vuurtoren staat op een hoge klif en kijkt uit over de ruige rotskust en de donkere zee. De golven slaan met fors geweld tegen de kliffen aan, en het witte schuim spettert omhoog. Ik doe snel de schuifdeur weer dicht, en we eten binnen terwijl we naar het donkere schouwspel van de zee kijken.

‘Kijk, daar is ‘ie,’ zeg ik tegen de honden en ik wijs naar een puntige rotsformatie niet ver van de kust af. De Old Man of Stoer is een zestig meter hoge zeestack van Torridonian’s zandsteen. In geologische termen wordt het ook wel een brandingspilaar genoemd, een verticale pilaar van gesteente gevormd door kusterosie. Mika en Moran kijken vanaf de kliffen de diepte in, maar zijn meer geïnteresseerd in de vogels die er rondvliegen dan één of andere puntige rots. We hebben het kustpad gevolgd vanaf de vuurtoren, en staan nu op het puntje van het schiereiland Stoer. De zon schijnt en de zee schittert ons tegemoet. In de verte is de heuvelachtige kustlijn van de westkust van Schotland goed te zien. We klimmen nog verder langs de heuvel omhoog, totdat we bij een betonnen markeringsteken uitkomen. Vanaf daar hebben we zicht op vrijwel het hele schiereiland. Talloze meren liggen verspreid over de drassige graslanden, waarvan de randen afbuigen naar de rotsige kliffen en de zee.

Terug bij de bus is het drukker geworden. Auto’s en campers rijden af en aan. Op de parkeerplaats staat een klein karretje, van waaruit koffie, thee en zelfgebakken cakes wordt verkocht. Ik bestel er een ‘caramel dream’, chocolademelk met gecarameliseerde stukken chocola, en een flink stuk worteltaart. De honden krijgen een kauwbotje terwijl ik van mijn traktatie geniet. Er schijnen hier langs de kust veel walvissen en dolfijnen gespot te worden. Urenlang kijken we dromend uit over de zee.

Een maanlandschap en iets met botten

Het is alsof we door een stenen maanlandschap lopen. Grote witte stenen liggen verspreid over de bolvormige top van Cul Mor. Het pad is niet meer te zien, maar stenen torentjes geven de route aan. Langzaam neemt de wolkenmist bezit van de berg, en wordt het witte landschap nog witter. Ik heb geen idee hoe ver de top werkelijk is, hoe deze eruit ziet en welke van de twee dat dan is, want de Cul Mor is een twee-piekige berg. Ik maak me zorgen en allerlei doemscenario’s vliegen door mijn hoofd. Behalve dat ik de afstand naar de top niet goed kan inschatten, ben ik bang dat ik door de wolken de stenen torentjes niet meer kan zien. En dan wordt het wel heel lastig om mijn weg terug te vinden. Ik heb geen kaart of kompas bij me en heb geen enkel herkenningspunt in het landschap. ‘We gaan terug,’ zeg ik abrupt tegen de honden. ‘Dit wordt te eng.’ Met tegenzin keren de honden zich om. We lopen pas een uurtje en zij hadden nog wel wat verder gewild. We dalen af over de witte stenen. Daarna lopen we over een stuk ‘bog’ en langzaam komen de heuvels en de meren onder het witte wolkendek weer tevoorschijn. Ik haal opgelucht adem, want nu kan ik tenminste weer zien waar ik loop. Aan de overkant zijn de grote rotspartijen van Knockan Crag te zien, en een heel klein wit puntje dat de bus moet voorstellen.

Aan het einde van de middag rijden we een halfuurtje verder naar Allt nan Uamh, oftewel The Bone Caves. Het is een paar kilometer lopen om bij de grotten te komen. We lopen door een prachtige vallei langs de rivier Allt nan Uamh. De late middagzon schijnt over de toppen van de bergen, en we hebben zelfs zicht op de Ben More Assynt. Het laatste stukje klimmen we omhoog langs een steil bergpaadje. Mika en Moran stappen met enige terughoudendheid de grotten in. Ze lijken de koude donkere ruimtes niet erg prettig te vinden. Ik dacht botten in het gesteente te zien of dat de gewervelde structuur van de grotten iets met botten te maken had, maar een man vertelt me dat hier botten van de bruine beer, wolf, poolvos, lynx en zelfs die van een ijsbeer zijn gevonden. Allemaal dieren die inmiddels niet meer in het wild voorkomen in Schotland. De botten schijnen te dateren van 3000BC tot 47.000BC. Mika en Moran lijken niet echt onder de indruk en zijn blij wanneer we weer in de zon in de vallei lopen. Daar ruiken zij aan de vele schapenbotten, die er liggen. Minder gedateerd, maar zoveel interessanter.

De toerist uithangen

Uitgelaten rennen de honden over Gruinard Beach. Het regent, maar dat maakt hun niet uit. Mika en Moran springen over het glibberige zeewier dat over de rotsen ligt gedrapeerd. Marte doet het wat rustiger aan en snuffelt hier en daar aan wat schelpjes en krabbetjes die uit het zand omhoog krabbelen. Het strand is omgeven door rotsen. Daarachter liggen de heuvels en de bergen, maar deze zijn vanwege de lage bewolking en de regen, enkel in grijstinten te zien. Het is fijn om de honden te zien rennen. We maken lange wandelingen, maar dan zijn ze vaak aangelijnd omdat er schapen of wild rondloopt. Zo af en toe even helemaal los doet ze goed. De bus staat tegenover het strand geparkeerd. We kwamen er gisteren aan het einde van de dag en hebben er overnacht. Behalve wat hondenuitlaters hebben we verder niemand gezien. Het weer is er natuurlijk ook niet echt naar. Ik kan me voorstellen dat wanneer de zon schijnt, de baai mooi blauw kleurt, de rotsen laat glinsteren en het zicht over de groene heuvels met daarachter de bergen eindeloos ver is. ‘We hebben een slechte zomer,’ zei een Schot, die ik in de bergen van Torridon tegenkwam. Ik had inderdaad niet verwacht dat er nog zoveel regen zou vallen in juli. ‘Zolang het regent, rijden we nog maar een stukje verder,’ besluit ik.

Een halfuurtje later komen we bij Corrieshalloch Gorge National Nature Reserve aan. Het is pas tien uur in de ochtend, en ondanks de regen, is het er erg druk. Ik kan nog net een laatste parkeerplek innemen. Prompt begint de zon te schijnen, en ga ik samen met Mika en Moran op pad. De attractie is een hangbrug over een zeer diepe kloof. De kloof is ontstaan tijdens de laatste ijstijd zo’n 2.6 miljoen tot elfduizend jaar geleden. Er zijn meerdere watervallen, waarvan de Falls of Meassach met zijn vijfenveertig meter de grootste is. Corrieshalloch Gorge betekent trouwens ‘lelijk gat’ in het Gaelisch. We kijken de diepte in. De zon verlicht de bomen en planten, die aan de verticale rotswanden van de kloof groeien. We volgen een pad langs de rand van de kloof, en het is alsof we door een regenwoud lopen. Het is er in ieder geval erg groen, en dat is ook dankzij de vele regen in Schotland.

Na een klein uurtje bezichtigen van de kloof, als een echte toerist, rijden we verder naar Rhue Lighthouse. Hier wil ik overnachten, maar wanneer ik het kleine parkeerplaatsje oprijd, zie ik een bord met de waarschuwing dat overnachtingen niet zijn toegestaan. Er staan een paar huizen om het parkeerplaatsje heen, en ik vermoed dat het bord er door bewoners zelf is geplaatst. Maar ik vind het sowieso geen geschikte overnachtingsplek vanwege de huizen in de nabije omgeving. Ik maak een korte wandeling met Mika en Moran naar de vuurtoren toe. Het is maar een kleintje en niet bepaald indrukwekkend, maar de rotsige kustlijn is er prachtig, vooral met de blauwgrijze bergen erachter. We lopen nog een stukje door over het kustpad naar de andere kant van de landtong, waar we Ardmair Beach zien liggen. De huizen in de baai steken helderwit af tegen de groene heuvels.

We rijden weer een halfuurtje verder, en ik voel me steeds meer toerist worden. Onze volgende stop is Knockan Crag National Nature Reserve, ook weer een populaire toeristische trekpleister, maar er is gelukkig nog ruimte om te parkeren met het zicht op de meest oudste rotsen van Europa. ‘Eerst maar eens ontbijten,’ zeg ik tegen de honden. Het is inmiddels al tegen enen in de middag. Daarna gaan we een paar uur slapen, want de toerist uithangen is best wel vermoeiend.

Pas wanneer de ergste drukte aan het einde van de middag voorbij is, lopen wij de gemarkeerde route over Knockan Crag. Deze biedt een kijkje miljarden jaren terug in het verleden van de aarde. Op deze plek identificeerden geologen in de negentiende eeuw voor het eerst hoe continenten miljoenen jaren geleden botsten en oude rotsen op veel jongere rotsen forceerden. Iets wat lang ontkend werd door de gevestigde orde aan geologen. Een smal bergpaadje neemt me mee langs informatieve bordjes en stenen kunstwerken, die mij als het ware op een geologische wereldreis sturen. Knockan Crag is een lijn van hoge kliffen in het noordwesten van Schotland, die uitkijken over de Lochan an Ais en de bergen van Assynt. Het gesteente van Knockan Crag behoort tot de oudste van Europa en ligt recht op de Moine-verschuiving, een geologische breukzone in de Schotse Hooglanden. Het is raar om de stenen aan te raken met het besef dat deze mogelijk al meer dan drieduizend miljoen jaar oud zijn en misschien wel van de andere kant van de wereld komen. Mika en Moran tillen er niet zo zwaar aan, en zijn gewoon blij dat ze een rondje kunnen lopen.

Bij de vuurtoren: een leegte vol met natuur

Het regent keihard. Het klettert op het dak van de bus en het water stroomt in golven over de parkeerplaats. Terwijl het er gisteren nog mooi en idyllisch uitzag, ziet alles er nu grauw en deprimerend uit. De bergen van Torridon zijn gehuld in donkergrijze bewolking. De honden weigeren te plassen in deze harde regen dus ik start de motor en we rijden de parkeerplaats af. Voorzichtig draai ik door de bochten van het kleine weggetje en kom uiteindelijk weer terug op de A896, en gaan we richting de kust. De Rua Reidh Lighthouse ligt natuurlijk ook weer aan het einde van een klein weggetje. Borden waarschuwen voor ‘weak bridges’ en dat je voertuig niet breder dan twee meter twintig, niet langer dan zeven meter twintig en niet zwaarder dan zeven en een halve ton mag zijn. Daar voldoet mijn bus allemaal aan, maar de bochten zijn erg nauw en steil, en ik adem opgelucht wanneer ik het kleine parkeerplaatsje bij de vuurtoren indraai. De vuurtoren valt onder particulier eigendom, maar is van een afstandje te bewonderen. Het is wit geschilderd met geel geblokte omlijstingen rondom de ramen en hoeken van het gebouw. De toren steekt dramatisch af tegen de donkere lucht, de puntige zwarte rotsen en het witte schuim van de donkere golven eromheen. Ik sta tot mijn verbazing helemaal alleen op het parkeerplaatsje, maar het is dan ook wel erg afgelegen.

Ik sta in een pannetje spaghetti te roeren, wanneer er een vrouw met een jongen langsloopt. Ze stelt zichzelf en haar zoon voor, en vertelt dat ze in de vuurtoren woont. ‘Mocht er iets zijn, dan kun je altijd bij ons aankloppen,’ zegt ze. Dat geeft een fijn gevoel. Al staan we nog zover van de bewoonde wereld, er is toch iemand in de buurt. ‘Ik kan me voorstellen dat met een mooie zonsondergang of opkomst, en zelfs de kracht van een flinke storm het mooi is om hier te wonen, maar er zijn ook veel regenachtige en donkere dagen in Schotland, is dat niet deprimerend zo alleen op de rots,’ vraag ik haar.’ ‘Nee hoor, slecht weer kan ook mooi zijn,’ antwoord ze. Die nacht laat ik de gordijnen bij de voorstoelen open, zodat we in slaap vallen en de zee zie, en weer wakker worden en de zee zien.

Ik kijk opzij van het pad langs een steile stenen afgrond. Deze loopt de diepte in en eindigt bij de rotsen in de zee. Boven ons zijn ook alleen maar steile rotswanden te zien. Het pad loopt langs de klifhelling en is niet meer dan dertig centimeter breed. ‘Dit kan niet goed zijn,’ besef ik me. Ergens hebben we een verkeerde afslag genomen op het kustpad richting Camus Mor. ‘Blijf hoog op de kliffen lopen,’ had de zoon van de vuurtoren mevrouw nog zo gezegd. Mika en Moran zijn gekoppeld aan de heupriem en lopen achter mij. Ik kan nauwelijks keren, en besluit het laatste stuk dan ook maar naar beneden te lopen. Soms moet ik zittend van een grote rots naar beneden glijden. Loszittende stenen beginnen te rollen en vallen met dof gebonk langs de kliffen. Ik laat de heupriem zoveel mogelijk vieren, zodat de honden voldoende ruimte hebben om te kunnen volgen. Ze voelen mijn gespannenheid en houden zich muisstil. We eindigen op een klein stenen strandje aan zee. Ik realiseer me dat White Sand Beach achter de volgende klif moet liggen. Ik zie een klein paadje halverwege de klif lopen. ‘Nu we zover gekomen zijn, kunnen we dat laatste stukje ook net zo goed doen.’ De honden kijken me vol vertrouwen aan, en volgen me op de voet. Vol goede moed klim ik weer stapje voor stapje omhoog. Ik probeer zo min mogelijk in de diepte te kijken en concentreer me op het paadje voor me. Ik pers me langs de uitstekende punten van de rotswand en grijp met elke stap heidetakken vast die langs de rotswand groeien. Langzaam komt het strand van White Sand Beach in zicht. Het is nog maar een klein stukje, maar dan is er een stuk pad voor me dat uit een richeltje op een stenen wand bestaat. Ik moet minstens drie meter te zien overbruggen, en probeer op allelei mogelijke manieren te bedenken hoe ik die stappen kan zetten. Maar dan kijk ik naar Mika en Moran achter me. ‘Dit is te gevaarlijk,’ besluit ik. Langzaam draai ik me om en stap voorzichtig over de honden heen. Met het hart in mijn keel begin ik aan de terugweg. Deze kost minstens een half uur, en in totaal zijn we een uur kwijt met die verkeerde afslag. Trillend van vermoeidheid sta ik uiteindelijk weer bovenop de klif. ‘Maar toch wil ik nu naar White Sand Beach,’ houd ik stug vol, en we vervolgen onze weg bovenop de kliffen. Het pad is lang niet altijd zichtbaar, en vaak zakken we weg in de modder en nattigheid. Af en toe worden we geteisterd door regengordijnen gedragen op de harde windvlagen. We dalen weer een stukje naar beneden en zien het strand, dat grotendeels verborgen ligt tussen de zachtglooiende met groen bedekte rotsen. Daarachter is de landtong met uitgestrekte graslanden en meren. Wat een leegte, maar dan vol met natuur.

Tegen de heuvel ontdek ik een klein stenen huisje. Voorzichtig loop ik ernaartoe, want ik wil niemand storen. Het blijkt een hutje te zijn voor wandelaars om te kunnen overnachten. Het draagt de naam ‘Camstrolvaig Bothy’, en is voorzien van een houtkachel, slaapplaatsen, water, voedsel en wat keukenspullen. ‘Ik zou hier zo een paar dagen kunnen blijven,’ verzucht ik tegen de honden, die het zich al makkelijk hebben gemaakt op de stenen vensterbank voor het raam. Zo blijven we nog een tijdje zitten.

Gejammer uit een diepe snee in de berg

Ik voel de warmte van de zon op mijn gezicht. Hij komt net op vanachter de Meall Dearg en Mullach an Rathain, een stel bergen in het Torridon gebied. Het pad stijgt geleidelijk, maar toch drupt het zweet alweer langs mijn gezicht. Met een kleine handdoek, die aan de zijkant van mijn rugzak is geknoopt, wrijf ik het weg. Mijn benen voelen zwaar vandaag. Het is net alsof ik niet vooruit kom. Na al die bergwandelingen zou je toch denken dat ik aardig getraind ben, maar misschien heb ik wat teveel van mijn lichaam gevraagd de afgelopen weken. Ik struikel voor de tweede keer over een steen, en dat is eigenlijk toch ook een teken van vermoeidheid. Het geluid van de stromende rivier is overweldigend. Het overstemt alles, en we horen niks anders dan dat. Via een houten bruggetje steken we de rivier over. Even verderop splitst het wandelpad zich in tweeën. De één gaat richting Beinn Alligin, een flinke berg, die twee toppen heeft: de Tom na Gruagaich van 922 meter naar het zuiden, en Sgurr Mhor op 986 meter naar het noorden. Het is steil en we zouden diverse steenvelden moeten doorkruisen. Het andere pad gaat door de vallei en eindigt dertien kilometer verder bij Coire Dubn. Het liefst beklim ik een berg, maar ik kies voor de vallei. ‘We doen het rustig aan vandaag,’ zeg ik tegen de honden. Ik heb geen spijt van mijn keuze, want we lopen we lopen door een spectaculair berglandschap tussen de Liathach, Beinn Alligin, Beinn Dearg en de Ben Eighe. Allen imposante bergen met gelaagde stenen rotskammen. We lopen de helft van de wandeling tot aan Loch Grobaig, dat aan de voet van de Liathach ligt. Dat kost ons al ruim twee uur, en we pauzeren een tijdje. Ik zit op een steen, en Mika komt naast me liggen. Moran is nog jong en ongeduldig, en scharrelt rond tussen de stenen van de rivierbedding. Tijdens het wandelen heb ik toch weer energie opgedaan, en ik voel me sterk en vredig door de natuur. De terugweg kost anderhalf uur, iets minder dan de heenweg, want we zijn ongemerkt toch vierhonderd meter gestegen. We bereiken de kloof, die ook langs de parkeerplaats loopt. Deze staat bekend als Eag Dhubn na h-Eigheachd, dat in het Schots-Gaelisch ‘zwarte snee van het gejammer’, betekent. Het is het litteken van één van de meest spectaculaire rotsverschuivingen in Schotland, die uitmondt in de corrie van Toll a’ Mhadaidh Mor. Het vond ongeveer vierduizend jaar geleden plaats, en volgens de plaatselijke folklore hoorden herders geschreeuw uit de snee. Degenen die erop af gingen, werden nooit meer weer gezien. Een fijn idee dus. Terug bij de bus besluit ik om nog een nachtje te blijven staan. Morgen schijnt een regenachtige dag te worden, dus die gebruiken we om te rijden. Voor nu genieten we nog van de zon, zittend in de deuropening van de bus.

Isle of Skye

Ik glijd voor de zoveelste keer uit, en er valt wat gesteente achter me omlaag. Het klettert over de andere stenen. Mika en Moran klimmen behendig over de puinhellingen omhoog, maar ik stuntel er onhandig achteraan. Af en toe regent het zachtjes, en dat maakt de stenen nog gladder. We zitten net onder de top van Bla Bheinn. De bewolking verschuift een beetje, en kunnen we even de schuine rotsige top weer zien. Ik klim tot aan een grote steen. ‘We gaan tot hier, jongens,’ zeg ik tegen de honden. Het laatste stuk bestaat uit nog meer puinhellingen en rotswanden. Ik denk dat je er minstens een klimgordel en touw voor nodig hebt om daar te komen. We kijken in stilte uit over de bergen om ons heen. De bergen die wat verder weg zijn, zijn gesluierd in wolken en regen. De bergen die wat dichterbij zijn, lichten op in de zon, weelderig van de groene vegetatie. We horen het geluid van stromende rivieren en watervallen weerkaatsen tegen de rotswanden. Hier en daar staan dotten paarse heide planten in bloei. Roze bloempjes groeien rondom en tussen de stenen. Het waait hard op deze hoogte, en ik koel alweer snel af. Voorzichtig beginnen we aan onze afdaling over het loszittende gesteente. We doorkruisen diverse rivieren, en mijn bijna droge schoenen zijn alweer nat. Ik laat de honden van de heupriem, en we springen van steen naar steen. Moran vindt het allemaal geweldig, en doet het minstens drie keer over. ‘Ja Moran, nou heb ik het wel gezien, heel knap hoor,’

Na de Bla Bheinn vertrekken we halverwege de middag en rijden in een paar uurtjes door de lengte van Skye, een prachtige route langs en over de bergen. Bij Rha Waterfalls nemen we de afslag naar de A855 en rijden we door de kop van Skye. Het betreft weer een eenbaansweggetje, maar gelukkig zijn er veel passeerplaatsen. Ik kom nu veel campers tegen, vooral Duitsers met van die kolossale campers die breed op de weg liggen. Er staan er ook veel geparkeerd op een parkeerplekje langs de weg met uitzicht op de oceaan. Ik heb een klein parkeerplaatsje uitgezocht bij Rubha Hunish, het meest noordelijke puntje van Skye, maar ik hoop dat er nog plek is. Bij een rode telefooncel draai ik een klein weggetje op en met een zucht van verlichting parkeer ik de bus in een hoek van het parkeerplaatsje. Er is amper ruimte voor acht auto’s. Er staat één andere buscamper, en verder rijden er auto’s af en aan. Het is een populaire bestemming, en ondanks de regen wandelen mensen het pad naar de Rubha Hunish toe. Ik loop er samen met de honden een klein stukje van, maar het is al tegen zeven uur ’s avonds, en ik heb zin in eten. Snel trek ik de schuifdeur weer dicht, want het waait hard. Na vijf dagen in de bergen te hebben gestaan, staan we nu weer aan de kust. Uit welk raam van de bus we ook kijken, hebben we zicht op uitgestrekte groene heuvels en ik zie zelfs een klein reepje van de zee. Vanuit bed genieten we van ons uitzicht in onze schuddende bus.

Het zou regenen, maar we worden de volgende dag wakker met een klein zonnetje. Marte loopt een klein rondje, maar heeft er duidelijk geen zin in met die harde wind aan de kust. Ze staat al snel weer bij de bus om erin getild te worden. Samen met Mika en Moran volg ik de route naar Rubha Hunish. Rubha staat voor klif, punt of schiereiland. Er zijn er natuurlijk meer in Schotland, vooral op de Hebriden. We lopen eerst dwars door de weilanden over de hoogvlakte tussen de schapen. Tot nu toe mogen de honden, mits aangelijnd, altijd mee. Blijkbaar rennen de Schotse schapen, in tegenstelling tot de Ierse, niet in paniek van de klif af wanneer ze een aangelijnde hond zien. In de verte zien we op een hoge klif de restanten van een oud kasteel, Duntulm Castle. Iets dichterbij zien we nog meer restanten van kleine huisjes, die hier ooit op de Rubha hebben gestaan. Na een klein halfuurtje klimmen we het laatste stukje omhoog langs een bijna onzichtbaar modderig pad naar Meall Tuath. Bovenop de klif staat een klein huisje, genaamd ‘The Lookout’, dat vroeger van de kustwacht is geweest. Het doet nu dienst als overnachtingsplek voor de wandelaars. Een stuk voorbij het huisje is een steile afdaling naar de Hunish Headland, maar het is zo modderig en glad dat ik besluit bovenop de kliffen te blijven. Twee uurtjes later zijn we terug bij de bus en genieten we van een warm otbijt. De honden krijgen wat warm water over hun brokken, en ik zit aan de warme pap.

De vakantietijd is begonnen, en dat is duidelijk te merken aan de drukte op de weg, wanneer we halverwege de middag langs de oostkust van Isle of Skye rijden. Bij Kilt Rock and Mealt Falls Viewpoint Wil ik stoppen, maar ik zie al van verre dat het er volstaat met auto’s en campers. Twee busladingen vol met mensen stappen net uit. Hoewel ik de waterval die vanaf de klif de zee inloopt graag had willen zien, rijd ik door. Dit is me echt te druk. Tussen een mensenmassa raak ik altijd van slag, en neem dan toch niets meer in me op. We rijden verder met aan de rechterkant de bergen en links de zee. Het valt me op dat op elk bordje van de B&B’s ‘no vacancies’ staat. Dat betekent dat het helemaal vol zit. Ik vraag me af of ik überhaupt nog terrecht zou kunnen op een camping of dat deze ook helemaal volgeboekt zijn. Niet heel veel verder wil ik stoppen bij The Brother’s Point, waar prachtige rotsformaties schijnen te zijn, maar ook hier krioelt het weer van de mensen. Ik baal ontzettend, maar rijd weer door. We verlaten Skye, en ik besluit richting Torridon te rijden. Ik pak de A896, een kronkelende bergpas langs de meest indrukwekkende bergen en meren. Ik kom nauwelijks meer een auto of camper tegen, en dat voelt meteen minder benauwend. Er staan hier en daar een paar campers bij een meer geparkeerd, en ik zou er zo tussen kunnen gaan staan, maar ik rijd door tot Beinn Alligin Car Park. Een klein parkeerplaatsje aan een klein weggetje, waar helemaal niemand staat. Vanaf hier start een wandelroute die ik morgen graag met de honden wil lopen. Het is al tegen zessen, en ik ben moe van de lange rit. We zijn ruim vier uur onderweg geweest. Tussendoor ben ik even gestopt in een klein rustig dorpje, waar ik mijn vuilniszakjes kon weggooien en mijn jerrycans met water heb aangevuld bij een openbaar toilet. Het voelt goed om weer voldoende voorraad aan water te hebben voor minstens een week. Ik kook weer mijn bekende potje met spaghetti, vis, groente en gesmolten kaas, waarvan de honden mee smullen, en na een korte avondronde gaan we naar bed. Naast het parkeerplaatsje loopt een diepe kloof, waar een rivier doorheen raast. Afgelopen nacht was het de wind, maar vannacht is het het geluid van stromend water waarop we in slaap vallen.

Een teleurstelling, maar niet voor lang

Diep teleurgesteld verlaat ik Achintee Road Car Park. Al jaren had ik het plan om ooit de Ben Nevis, de hoogste berg van Schotland, te lopen. De wandelkaart van de berg lag al die tijd in een la van de boekenkast op de logeerkamer. De afgelopen twee jaar ligt de kaart in het mandje onder de voorstoel in de bus. Gisteravond had ik hem weer tevoorschijn gehaald. Nu was het eindelijk zo ver. Maar het weer gooit roet in het eten. Het regent vrijwel continu, en volgens de weersvoorspellingen blijft het zo voor de rest van de week. De berg is gehuld in dikke bewolking. De dichtstbijzijnde parkeerplaats aan Achintee Road staat ondanks het slechte weer helemaal vol. Toevallig reed er net een camper weg, en kon ik zijn plekje innemen, maar de auto’s staan dicht op elkaar en er was nauwelijks ruimte voor de honden om even buiten naast de bus te staan. Om hier nu dagenlang op beter weer te wachten zie ik echt niet zitten, maar ik baal ontzettend en het duurt even voordat ik weer kan genieten van het landschap om mij heen. Ik besluit om helemaal door te rijden naar Cullin Hills op Isle of Skye. We rijden langs talloze meren, bergen en rivieren. Hele stukken ervan zijn onbewoond. Het weer blijft wisselvallig en meestal is alles bedekt onder een dikke laag bewolking, en heel soms komt de zon even tevoorschijn en verlicht de toppen van de bergen aan de overkant van een meer. Via Skye Bridge komen we een aantal uren later op Skye aan, en sla ik bij Broadford een klein weggetje, de B8083, in. Het is toch altijd weer een gok om te zien waar je terrecht komt: is er nog plek?, mag je er overnachten?, en zijn er wandelroutes waar de honden ook mogen lopen? Even schrik ik en denk dat de hekken van Bla Bheinn Car Park gesloten zijn, maar dat is gelukkig niet het geval. Er staan hoge hekken aan weerskanten van het wildrooster, dat toegang verleent tot de parkeerplaats. Het is speels ingedeeld met hier en daar kleine plateaus om te parkeren. Er is veel begroeiing aan de zijkanten en er staat een toilethuisje in het midden. Ik parkeer in een hoekje, waar lang gras, heide en wilgen staan, met uitzicht op de Bla Beinn, de hoogste berg van Skye. De toilet is niet aangesloten op het riool, maar bestaat uit een gat in de grond, waar af en toe wat zaagsel wordt bijgegooid. Aan de achterkant van het houten toilethuisje is een regenton met een kraantje, maar het is helaas geen water geschikt om te drinken. Dat is jammer, want mijn watervoorraad begint op te raken, en ik had graag mijn jerrycans willen bijvullen. Er staan ook geen vuilnisbakken. Steeds vaker zie ik een bordje waarop staat dat je je vuilnis mee naar huis moet nemen. Dat is op zich geen probleem, zij het dat ik al bijna twee maanden op reis ben. Ik heb inmiddels al een paar kleine gevulde vuilniszakjes achterin de bus liggen, en het begint een beetje te ruiken. Dat zijn een paar van de ongemakken waar je als nomadereiziger tegenaan loopt.

Ik loop met de honden een klein pad dat langs een lange rotskam loopt, en we kijken uit over Loch Slapin. Aan de overkant zien we de huisjes van Torrin liggen. ’s Avonds blijven er vier andere camperbusjes staan. Dat geeft toch een beetje gezelschap op afstand. Het zonnetje komt alsnog tevoorschijn, en daarmee ook de midgets. Ik pak het muggennet, dat ik vorig jaar rond deze tijd in Zweden het gekocht, en hang het weer op aan de haakjes voor de opening van de schuifdeur. Het werkt, en ik kan de theedoek waarmee ik de vliegjes wegsloeg, weer terugleggen in het kastje. Ik bak wat brood met kaas op in een koekenpannetje, als een soort tosti. De honden krijgen de korsten met extra dik boter. Ze lijken gelukkig weer wat aan te komen. Dat mag ook wel, want ze krijgen momenteel anderhalf keer zoveel brokken als normaal. Ik had, voordat ik naar Skye overstak, nog boodschappen gedaan in Fort William. De koeltas puilt weer uit met vers fruit, groente, boter, kaas en brood. En natuurlijk sluit ik de dag af met warme chocolademelk en een groot stuk chocola. De honden liggen tevreden te slapen.

James Bond nadoen?

Halverwege de middag vertrekken we richting Glencoe. We rijden dwars door de bergen. Het landschap oogt ruig en verlaten. Zo nu en dan komen we een gehuchtje tegen, waar de pub vaak een centrale plaats inneemt. Soms staan er restanten van een kasteel of een kerkje met wat oude graven eromheen. ‘Welcome in the Highlands,’ staat er op een bord, en de bergen lijken nog grootser en imposanter te worden. Grijze rotspunten tornen ver boven ons uit. Vlak voor Glencoe parkeer ik op de Hidden Valley Car Park. Het is al tegen zessen, en ik had het wat leger verwacht, maar het staat bijna helemaal vol met auto’s en campers. De plek is dan ook wel erg indrukwekkend. De drie bergen ertegenover staan bekend als de Three Sisters. Hun toppen zijn vrijwel gelijk en bestaan uit gelaagde rotswanden en groene geplooide lijnen die naar beneden lopen. Vanaf de parkeerplaats lopen diverse wandelroutes. Samen met de honden loop ik een stukje naar beneden de vallei in. Er stroomt een rivier, de Coe, die nauwelijks te zien is vanwege de steile wanden die het omringen, en dat eigenlijk het hart van een oude vukcaan is. Het voelt als een magisch landschap rechtstreeks uit een middeleeuws verhalenboek. Achter de Three Sisters, ook wel bekend als Bidean Nam Bian Mountain, loopt een klein weggetje waar een scène uit de James Bond film Skyfall is opgenomen. Maar die rijscène doe ik maar even niet na met de bus.

We lopen weer terug en ik kook een potje met rijst en doe er een kant-en-klaar zakje met linzen, groenten en tomatensaus doorheen. De honden eten hun brokken zonder zich te storen aan de auto’s die af en aan rijden op de parkeerplaats. Rond acht uur begint het weer te regenen, maar dit houdt de mensen niet tegen, en nog steeds zie ik ze rondlopen en foto’s nemen. ‘We zullen vannacht in ieder geval niet alleen staan,’ zeg ik tegen de honden.

Nog twee ‘Bennen’ om te beklimmen

Voorzichtig steek ik mijn voeten in de natte wandelschoenen. De koude nattigheid dringt meteen weer door tot in mijn sokken. Mijn nog vochtige wandelbroek en shirt heb ik alweer aangetrokken. Het voelt even rot, maar dit is toch de beste manier om natte kleding en schoenen zo snel mogelijk weer droog te lopen. De honden rennen alweer enthousiast langs de kant van Loch Achray. De midgets zijn ook alweer in grote getale aanwezig. Snel gaan we op pad. Hoewel de Ben A’an met zijn 454 meter niet bijzonder hoog is, maakt de ligging in het hart van de Trossachs het tot een prachtig uitzichtpunt. Het is een steile klim langs stapstenen, en het is alsof je een uur lang de trap naar boven neemt. De puntige top bestaat uit rotsen, en lijkt op dat van een kleine berg. We kijken uit over Loch Achray aan de zuidoostkant, en Loch Katrine aan de noordwestkant. Het blauw van het water schittert ons tegemoet. De honden zijn er stil van en kijken rustig om zich heen. Toch blijven we niet zo heel lang, want we zien de volgende wandelaars al naar boven klimmen. Het is blijkbaar een populaire route. We gaan de trap weer af. Moran loopt een klein stukje voor me en glijdt uit op een nog natte schuinaflopende rots. Ze klapt met haar heup op de puntige zijkant en begint hard te kermen. Ik neem haar in mijn armen en wrijf zachtjes over haar heupje, maar ze blijft hard janken. Het gejammer klinkt door de bergen en gaat door merg en been. Heeft ze haar heup gebroken of ligt het uit de kom? We blijven een kwartiertje zitten, en langzaam gaat haar gejank over in zacht gepiep. Mika zit bezorgd naast ons en geeft haar af en toe een likje over haar neus. Na een paar honderd kusjes zet ik haar weer voorzichtig overeind. Ze doet een paar stapjes en er lijkt niks aan de hand te zijn. Ik kan geen mankheid ontdekken. Totaal onbekommerd loopt ze het laatste stukje terug naar de bus. Misschien was ze gewoon erg geschrokken van haar val, of misschien vond ze al die aandacht ook wel even fijn? Hoe dan ook, ik ben ontzettend opgelucht, want ik zag ons al met Moran in het gips richting Nederland rijden.

En weer trek ik een dag later mijn vochtige stinksokken aan en steek ze met tegenzin in mijn natte schoenen. Het duurt helaas altijd een paar dagen voordat ik ze weer helemaal drooggelopen heb. Ik heb ook weer mijn stinkbroek en stinkshirt weer aangetrokken. Het wordt een pittige wandeling, dus kan ik het net zo goed nog allemaal een keer aantrekken. Zolang ik in de wind loop ruikt niemand het, hoop ik. Het is acht uur ’s ochtends en we staan weer helemaal alleen op een klein parkeerplaatsje. Ik trek de schuifdeur open en laat de honden naar buiten. Ze rennen vrolijk op en neer. Moran rent nog het hardst van allemaal en lijkt niks over te hebben gehouden aan haar valpartij van gisteren. Dat is mooi, en kunnen we de Ben Ledi lopen. Vanaf elf uur gaat het volgens de weersvoorspellingen regenen. Ik hoop dat we tegen die tijd de top hebben gehaald en op de terugweg zijn. Het heeft geen zin om de wandeling uit te stellen, want het weer is zo veranderlijk in Schotland. De komende dagen wordt sowieso nog veel regen voorspeld. De Ben Ledi is een berg van 879 meter hoog. Het is een pittige klim, maar al snel laten we het bos achter ons en kijken we uit over de bergen. In de diepte zien we Loch Lubnaig liggen, en wanneer we nog een stuk hoger zijn geklommen is ook Loch Venachar te zien. De zon schijnt en dat maakt het water van de meren extra blauw. In de verte zie ik donkere wolken over de bergen hangen, maar dat is nog ver weg en er staat geen zuchtje wind. ‘Ah, daar is de top al,’ zeg ik tegen de honden. Maar zogauw we die hebben bereikt blijkt er nog een hogere top achter te liggen, en daarachter weer één. Een hoop valse toppen dus. Uiteindelijk zien we een kruis bovenop de berg. ‘Dat moet hem echt zijn.’ We klimmen naar het kruis toe, maar dan zie ik dat de echte top nog net een stukje verder is. Deze wordt gemarkeerd door een betonnen pilaar. Mika en Moran snuffelen er uitgebreid aan, waarschijnlijk om zich ervan te verzekeren dat dit dan ook echt de top van de Ben Ledi is. We pauzeren even en eten en drinken wat. Het uitzicht is er prachtig: allemaal bergen rondom, diepblauwe meren, en de stilte.

Op de terugweg komen we heel wat mensen tegen, waarvan sommige met volledige bepakking. Zij lopen nog een stuk verder de bergen in. Aan de ene kant zou ik dat ook wel weer willen: de vrijheid van het dwalen door de bergen, maar aan de andere kant moet ik er niet aan denken dat ik weer met een zware rugzak moet lopen. We zijn bijna terug bij de bus wanneer het begin te regenen, en we beginnen steeds harder te rennen. Ik trek met een klap de schuifdeur open en we springen naar binnen. Daarna barst het pas echt los. Grote druppels spetteren omhoog op het asfalt van de parkeerplaats, en al snel lopen overal kleine stroompjes water. Ik denk aan al die mensen die nog op weg zijn naar de top van Ben Ledi, en aan die mensen die met een zware rugzak ergens een tentje moeten opzetten. ‘Wat hebben wij het luxe,’ zeg ik tegen de honden die op een zachte deken in de bus liggen. ‘Een klein huisje op wielen met alles erop en eraan.’