Een moeizame tocht op een berg die we niet te zien krijgen

Het is alsof we in een achtbaan zitten. Ik zie mensen om mij heen wit wegtrekken, en daarna grauw in het gezicht worden. Met grote klappen slaan de golven tegen de zijkant van de boot aan. Zo hard, dat je denkt dat die toch in tweeën moet breken. Het water klettert neer op het dek en tegen de ramen. De meneer van het restaurant legt zo onopvallend mogelijk witte papieren zakjes bij de tafels neer. De boot trekt op op een golf, om daarna in een soort vrije val meters naar beneden te vallen. Ik hoor een man hardop kreunen met elke golfbeweging die we maken. Het restaurant wordt steeds leger, en ik zie mensen met een zakje naar de toiletten rennen. Ik had net nog een scone met jam en slagroom voor mijn ontbijt op, maar begin me nu ook lichtelijk misselijk te voelen. Vanochtend vroeg zijn we vertrokken met de boot vanaf Larne naar Cairnryan. Het voelt raar om weer terug te gaan naar waar we vier weken geleden begonnen zijn. Vanaf Cairnryan wil ik langs de westkust naar het noorden van Schotland reizen. Het is vandaag erg slecht weer met regen en harde windstoten. Op zich een prima dag om te gebruiken om wat langer te reizen, maar dan niet op open zee. Ik denk aan die arme Mika, benedendeks in de bus. Hij heeft vanochtend een flink ontbijt gehad, maar heeft een nogal gevoelige maag. Ik hoop dat hij het allemaal binnenhoudt. Twee uurtjes later zijn we in Cairnryan aangekomen. De honden zijn opgelucht om mij weer te zien, en gelukkig heeft Mika niet overgegeven. Het regent nog steeds erg hard, dus ik rijd in één ruk door naar Loch Lomond. Aan de oostzijde van het meer rijd ik tot aan Ben Lomond Car Park bij Rowardennan. Daar is het betaald parkeren en mag je niet overnachten, maar net daarvoor is een klein parkeerplaatsje aan het water. We parkeren onder een grote oude eik.

Grote vlokken wolkenmist nemen bezit van de bergen. We zien alleen nog maar wit om ons heen. Af en toe doemt er een schaap op in de dikke witte mist. Het pad naar Ben Lomond is goed te volgen, maar verder heb ik geen idee waar we precies lopen en welke bergen er om ons heen te zien zijn. Om de top van de Ben Lomond te bereiken kost ongeveer vier tot zes uur, afhankelijk van de weersomstandigheden. Het was mijn plan om daar de helft van te lopen, en ik hoopte op een mooi uitzicht op de Ben Lomond, die net onder de duizend meter hoog is. Het regent lichtjes, en gestaag klimmen we verder door het witte landschap. Mika en Moran trekken flink aan de heupriem, maar dat is alleen maar fijn wanneer we stijgen. We zijn al bijna twee uur onderweg, en ik heb nog steeds de hoop dat het weer een beetje opklaart. Maar het begint steeds harder te regenen, en de wind neemt ook toe. De weersvoorspellingen voor deze week zijn regenachtig, maar dit had ik toch niet verwacht. Ik trek een extra fleece vest aan met daaroverheen mijn poncho, en ik zet een muts op. Het begint nu zo hard te regenen, dat we niet meer verder kunnen. Ik kan het pad nauwelijks meer onderscheiden, en ik kijk rond voor beschutting. Dat is er gewoonweg niet op deze hoogte. Uiteindelijk rennen we naar een rots toe, en proberen daarachter te schuilen. Ik houd mijn poncho omhoog, zodat de honden eronder kunnen schuilen, en zelf ga ik met mijn rug naar de wind toestaan. Al snel voel ik stroompjes water langs mijn nek omlaag glijden. Binnen tien minuten ben ik geheel doorweekt en staat het water in mijn schoenen. Ik merk dat ik stijf word van de kou, en kan nauwelijks nog de poncho omhoog houden voor de honden. Moran kijkt met een smekend nat gezichtje omhoog naar mij. ‘Dit is niet leuk meer,’ lijkt ze te zeggen. Ik realiseer me dat ik in beweging moet komen voordat ik teveel afkoel. ‘Kom jongens, we moeten terug,’ zeg ik tegen de honden. In de stromende regen keren we om en lopen langs het pad naar beneden. Na een kwartiertje regent het al iets minder, en de koude wind neemt geleidelijk weer af. Ik begin weer op te warmen en krijg het gevoel terug in mijn vingers. Een uurtje later trekken de wolken weg en zien we dan eindelijk het landschap om ons heen. Helaas is de Ben Lomond ver achter ons en kunnen we niet meer zien, maar de Ben Eich aan de overkant van Loch Lomond is wel goed te zien. Het meer schittert in de zon, en overal zien we kleine eilandjes in het water.

Terug bij de bus gaan we samen met Marte naar één van de stenen strandjes aan het meer. Moran vindt het leuk om stokjes uit het water te halen en durft steeds verder te zwemmen. De enige van de drie die dat doet, want Marte is te oud en Mika kijkt de door mij gegooide stokjes alleen maar na. Terug bij de bus wring ik mijn natte kleding uit en hang het over de buitenspiegels te drogen. Ik trek een legging en een ruime fleece trui aan. Er is toch niets heerlijkers dan na een lange wandeling tussen de honden op bed te gaan liggen en langzaam op te warmen. De schuifdeur laat ik op een kiertje staan, en we horen de wandelaars voorbij lopen en het kabbelende water van het meer aan de stenen oevers. Zo vallen we in slaap.

Een band met een vreemde en afscheid van Ierland

Halverwege de middag vertrek ik richting Giant’s Causeway, een natuurgebied aan de noordkust van Noord-Ierland. Ongemerkt passeer ik weer de grens, en verandert de euro weer naar de pond en de kilometer naar de mijl. ‘Oh nee.’ Het hek bij Larrybane Quarry, waar ik wilde overnachten, is afgesloten met een grote ketting eromheen. ‘Wat nu?’ Maar ik kan niet lang nadenken, stilstaand midden op de weg, dus ik rijd door tot de volgende parkeerplaats, Portaneevy Car Park. Het heeft een prachtig uitzicht over de zee, maar er zijn geen wandelingen vanaf dit punt. Ik zie op Park4Night dat er een paar kilometer terug een parkeerplaats bij White Bay Beach is. ‘Dat wordt ‘em.’ Het is inmiddels al tegen negen uur in de avond wanneer ik de parkeerplaats oprijd, maar het voelt meteen goed. Omringd door veel groen, en in de verte is de zee te zien. Er staat nog een auto. De zijdeur gaat open en er stapt een vrouw uit. ‘Blijf jij hier vannacht staan?’, vraagt ze. ‘Ja.’ ‘Oh gelukkig’, reageert ze opgelucht. ‘Nu de kinderen wat ouder zijn, wil ik elk ander weekend een nachtje kamperen. Dit is pas de derde keer dat ik het doe, en ik vind het nog steeds een beetje eng.’ Vol trots laat ze me haar auto van binnen zien. De stoelen achterin liggen plat, en heeft ze een bedje gecreëerd. Ernaast staat een klein toiletje, een gasstelletje en een koelbox.’ Ik heb altijd voor mijn vier kinderen gezorgd, maar soms vraag ik me wel eens af of ik niet meer had willen doen in het leven. Ik zou zo graag willen reizen, maar ik heb er het geld niet voor,’ vertelt ze me. Ik laat haar mijn bus zien. ‘Ik heb mijn huis verkocht en mijn baan opgezegd. Op die manier kan ik een tijdje reizen en leven zoals ik dat wil,’ vertrouw ik haar toe. ‘Maar nu ben je al je zekerheden kwijt,’ zegt ze. ‘Is dat zo? Die zekerheden hielden mij gevangen en voelden eigenlijk heel onzeker.’ We zwijgen een tijdje en kijken uit over de zee. Twee vrouwen met heel verschillende achtergronden: de één met een gezin, de ander van carrièregericht naar nomade, maar beiden hier nu samen op een parkeerplaats aan zee.

De volgende ochtend lopen we over het goudgele strand van White Bay Beach. Kleine golven van de felblauwe zee volgen elkaar rustig op en spuwen het gezouten water uit op het strand. De gelaagde witte rotsen weerspiegelen in het beetje water dat achterblijft op het zand. Daarachter liggen groene graslanden, waar de koeien grazen. De honden lopen ver voor mij uit en genieten van de ruimte. Er schijnt een gevaarlijke stroming op Whitepark Bay te zijn, dus er zwemmen geen mensen en lopen er voornamelijk hondenuitlaters. We zijn nog maar net terug bij de bus wanneer het weer hard begint te regenen. De vrouw, met wie ik de avond heb doorgebracht, is weer naar huis. Ik installeer me op het bankje met een kop thee en een boek. We hebben de afgelopen weken erg veel gewandeld, dus ik vind het niet erg dat het een keertje wat minder is. De honden liggen al snel weer diep in slaap.

Halverwege de middag klaart het weer op en rijd ik in een kwartiertje naar Larrybane Quarry, waar ik de wandeling over Carrick-A-Rede Rope Bridge wil doen. Zoals verwacht is het hartstikke toeristisch, maar de parkeerplaats staat nog niet eens voor een kwart vol, dus het kan nog veel erger. ‘Een kaartje om over de touwbrug te gaan kost dertien pond,’ zegt het meisje achter de kassa. Ik schrik me rot. Dat vind ik wel erg veel geld voor een stukje touwbrug. ‘Mag ik ook gewoon de kustroute lopen, maar niet de touwbrug, want ik denk niet dat de honden eroverheen durven,’ vraag ik. ‘Dat is goed,’ zegt het meisje. Samen met Mika en Moran loop ik de North Antrim Cliff Path langs Larrybane Bay. De zon verlicht de witte steile kliffen, die reflecteren op de turquoise blauwe golven van de zee. Binnen een halfuurtje zien we het kleine eilandje Carrick-A-Rede liggen, dat wordt verbonden met een touwbrug aan het vasteland. Al zo’n driehonderd jaar leggen zalmvissers bruggen aan op deze plek. De touwbrug overspant twintig meter en hangt dertig meter boven de rotsen. Er is een soort betonen muur voor gebouwd met een ijzeren hek. Er staat iemand bij om de kaartjes te controleren. We kijken op een afstandje naar hoe mensen voorzichtig over de hangbrug lopen. Hij schommelt heen en weer, en ik denk niet dat de honden eroverheen zouden zijn gegaan. We lopen dezelfde route terug en pakken een stukje van de Causeway Coast Way richting het haventje van Ballintoy. Daarbij passeren we Larrybane Quarry. Het wit van deze kliffen werd gebruikt om de huizen van Ballintoy wit te schilderen. Meer recentelijk zijn hier de opnames van de Game of Thrones geweest.

Tegen het einde van de middag rijden we nog een uurtje verder naar Torr Head. ‘Niet weer he,’ roep ik wanneer ik op een bordje lees dat de auto niet meer dan drie ton mag wegen om over het bochtige steile weggetje te kunnen rijden. Ik twijfel, want de bus is net een paar honderd kilo zwaarder dan die drie ton. ‘Ach, het moet kunnen,’ besluit ik. Voorzichtig rijd ik verder door het pittoreske Ierse platteland. We naderen de ruige landtong van Torr Head. Het laatste stuk is inderdaad heel bochtig en steil naar beneden. Ik hoor de bestekbak in het aanrechtkastje verschuiven, de flessen wijn en likeur rinkelen en met een plof valt de twintig kilo zak hondenvoer tegen de deur aan. Ik zit met mijn neus zowat tegen de voorruit gedrukt en schud mijn net zelfgeknipte lampenkap haarmodel nerveus naar achteren. Mika en Moran komen weer naast me staan, zoals ze altijd doen wanneer ze aanvoelen dat het spannend wordt. Aan het einde van het weggetje is een kleine parkeerplaats met ruimte voor hooguit acht auto’s. Tot mijn verbazing staat er maar één. Ik had er op een zondag wel meer verwacht, maar misschien is het daar te afgelegen voor en durven mensen het steile weggetje niet af. Er lopen veel schapen, maar gelukkig is het parkeerplaatsje omheind. De honden springen opgelucht uit de bus en snuffelen rond de graskanten. Het uitzicht is adembenemend: de groene heuvels, de blauwe zee en de rotsige punt van Torr Head. De restanten van het huis van de kustwacht staan bovenop de rots. In de verte is de kustlijn van Schotland te zien. ‘Hier blijven we een nachtje staan,’ zeg ik tegen de honden.

‘Kom ik hier ooit nog wel omhoog met de bus?,’ vraag ik me de volgende ochtend af. Het kleine bochtige weggetje vanaf Torr Head loopt steil omhoog en ik begin me serieus af te vragen of de bus dit wel aankan. Die drie ton limiet was natuurlijk niet voor niets een waarschuwing. Donkere wolken pakken zich samen boven Torr Head, en ik realiseer me dat ik beter maar meteen kan vertrekken voordat ik nog minder grip heb met de bus op een nat wegdek. Met het zweet in mijn handen rijd ik vrij hard het steile weggetje omhoog om zoveel mogelijk het tempo etin te houden. Een paar haarspeldbochten rijd ik in eerste versnelling, maar het gaat goed, en al snel vervolgen we onze weg langs de indrukwekkende kustlijn van Ierland. We rijden Torr Road helemaal af tot aan Cushendun. Daarna pakken we de A2, die wat later weer overgaat in Coast Road. Ik had willen stoppen voor een wandeling langs de kust bij Whitebay en Madman’s Window, maar beide parkeerplaatsen hebben slagbomen tot twee meter hoogte staan, waardoor ik er met mijn twee meter veertig bus net niet onderdoor kan. Dit ben ik overigens vaker tegengekomen op de wat meer toeristische plekken van Ierland. We rijden uiteindelijk door naar Chaine Park in Larne, een populaire plek voor hondenuitlaters, maar er zijn ook een aantal sportvelden en een speeltuin. Ik parkeer de bus in een hoek onder de bomen, en laat de honden rennen op het grote grasveld erachter. Ik heb de ferry voor morgen naar Schotland geboekt, dus dit is ons laatste nachtje in Ierland. Dat is toch een beetje een vreemde gewaarwording na vier weken rondreizen op dit prachtige eiland. Met een weemoedig gevoel drink ik ’s avonds na de wandeling warme chocolademelk met een flinke scheut amandellikeur en eet een stuk chocola. Ik sluit de gordijntjes en zet het alarm op mijn telefoon om vijf uur. Ik hoor de auto’s op de drukke weg die ernaast ligt voorbij rijden. Af en toe parkeert er een auto en hoor ik gepraat en gegiechel van tieners. Ik ben bijna in slaap wanneer ik licht geschraap aan de bus hoor. Met woest geblaf vliegen de honden van het bed af en staan bij de voorstoelen. ‘What the fuck is that,’ roep ik met een zo laag mogelijke stem. Ik kijk onder het gordijntje door en zie een auto de parkeerplaats afrijden. Pal naast de bus staat nog een auto met de lichten aan, die na een paar minuten ook langzaam het terrein afrijdt. Ik heb geen idee of iemand bewust aan de bus zat of per ongeluk de bus raakte met het instappen. Ik vraag me dan wel af waarom je je auto zo dicht naast de bus parkeert terwijl er zat ruimte is op de parkeerplaats. Nogmaals realiseer ik me dat ik liever op een afgelegen plek sta, dan in de buurt van mensen. Hoe dan ook, ik voel me volkomen veilig met de honden. Mika stond letterlijk met opgetrokken lip op de voorstoel, en het leek alsof er een wolf stond. Dan doe je toch niet snel de deur open, lijkt mij. Na een paar honderd complimentjes en kusjes voor de honden, gaan we weer slapen.

Op het meest noordelijke puntje van Ierland

We rijden door de kop van Inishowen Peninsula, het meest noordelijke schiereiland van Ierland. Malin Head is daar weer een landtong van, en ik verwachtte het er erg toeristisch zou zijn, maar dat valt gelukkig mee. Er is niet meer ruimte dan voor tien auto’s op het krappe parkeerplaatsje, maar ik heb het geluk dat ik nog net in een hoekje kan parkeren met uitzicht op de kliffen en de zee. Samen met de honden loop ik een rondje naar Hell’s Hole, een grote rotsspleet in de kliffen waar de golven woest tegenaan beuken. Aan de andere kant, op het uiterste puntje van de landtong staat een stenen toren, die ooit diende als wachttoren voor het geval Napoleon het land wilde binnenvallen. Later werd het ingezet als communicatietoren, die de weersvoorspellingen aan de schepen doorgaf. ‘Het is hier meestal erg druk hoor,’ zegt het meisje, dat in een kraampje naast de toren staat. Ze verkoopt koffie, thee en wat zelfgebakken cakejes en scones. ‘Waar parkeren al die mensen hun auto dan?,’ vraag ik verbaasd. ‘Op de meest gekke plekken, zoals bovenop de rotsen, zo schuin dat ze bijna omvallen.’ Om zes uur vertrekt de laatste auto en blijven we helemaal alleen achter op het meest noordelijke puntje van Ierland. Het waait hard en de bus schudt heen en weer. Ik denk terug aan een paar weken geleden toen we ingeblikt tussen allemaal andere campers op Mizen Head stonden, het meest zuidwestelijke puntje van Ierland. Wat een verschil met toen.

Een lange weg naar een kasteel in een park

‘Hoe krijgt je mama het voor elkaar?!,’ zeg ik bijna wanhopig tegen Moran, die naast me op de voorstoel zit. Ze kijkt me even strak aan, en dan weer naar het kleine weggetje voor ons. Het weggetje dat steeds smaller wordt, en waar ik ook helemaal geen inhammen zie. ‘Hoe moeten we elkaar ooit passeren als ik een tegenligger tegenkom,’ vraag ik me nogmaals hardop af. Moran zit nog steeds kaarsrecht naast me en kijkt stug voor zich uit. Vanaf Silver Beach leek het me een mooie route om over de heuvels van Donegal naar Assarance Waterfall te rijden, maar ik had niet verwacht dat het zo achteraf zou zijn. We rijden letterlijk over de toppen van de heuvels, en ik heb het gevoel dat we steeds verder van de bewoonde wereld afraken. Af en toe komen we nog een huisje tegen, maar veelal onbewoond en het mist een stuk muur of een dak. In ene zie ik een auto ons tegemoet rijden. ‘Wat nu?’ Ik kan geen kant op. Aan de linkerkant loopt het steil de heuvel af, en aan de rechterkant loopt het steil omhoog. De auto stopt, en de man achter het stuur en ik kijken elkaar even aan. Dat moment heeft waarschijnlijk niet lang geduurd, maar het voelde heel lang. Dan zie ik hem schakelen en begint hij langzaam achteruit te rijden. Ik zucht van opluchting. Gelukkig neemt hij het initiatief, en hoef ik niet achteruit op een klein bochtig weggetje. Langzaam kom ik ook weer in beweging. Het voelt alsof hij kilometers achteruit rijdt, maar ook dat zal wel meer lijken dan het in werkelijkheid was. Uiteindelijk komt hij bij een kleine verbreding van het weggetje en propt zijn auto schuin tegen de bergwand aan. Ik zwaai dankbaar terwijl ik hem passeer. Ik voel de wielen van de bus over het randje gaan, en even zie ik het scenario voor me dat ik nog steeds vrolijk zwaaiend de berg af kukkel met bus en al. Opgelucht rijd ik verder, maar ik voel mijn handen nog licht natrillen op het stuur. Ik ga wat harder rijden, hopende dat ik niemand meer tegenkom. Na een kwartiertje bereiken we Assarance Waterfall, niet heel spectacular, maar de honden doen er even een plas. Ik roep ze al snel weer naar binnen, en ze springen met tegenzin terug in de bus. ‘We gaan naar een heel mooi gebied,’ beloof ik ze. Een paar uur later draai ik weer een klein weggetje op, en rijd het Glenveagh National Park in. Het uitzicht op de Derryveagh Mountains is indrukwekkend, een aaneengesloten rij aan bergen met grote rotspartijen en lage heide begroeiing. Af en toe passeer ik stukken bos en meren. Het voelt er ruig en verlaten. Ik had vooraf op GoogleMaps een parkeerplaatsje gevonden dat Billys Pit heet. Het ligt inderdaad bovenop een berg, en is niet meer dan een gravelpit. Ik zet de motor uit en we kijken een tijdje in stilte om ons heen. Het waait hard, en behalve kale bergvlaktes zie ik geen wandelpaden of plekken om te lopen. ‘Dit is het niet,’ zeg ik tegen de honden. ‘Sorry jongens, maar we rijden toch nog even verder.’ Ik zie dat aan de andere kant van het park Errigal Mountain Hiking Parking ligt. Vanaf die parkeerplaats loopt een wandelroute naar de Errigal, die met haar 751 meter de hoogste piek van de Derryveagh Mountains in Donegal is. Deze bergketen wordt door de lokale bevolking ook wel de ‘Seven Sisters’ genoemd. Het is nog drie kwartier verder, maar we rijden het hele park door en het voelt als een ‘high’ om de natuur om ons heen te zien. ‘Oh jee, het is niet waar,’ mompel ik wanneer ik de parkeerplaats nader. Er staan hekken omheen, en grote graafmachines en ander bouwmateriaal bezetten de parkeerruimtes. Ik sta langs de kant van de weg en probeer te bedenken wat ik nu moet doen. Het is al tegen zessen, de honden moeten plassen en we hebben honger. Ik probeer op mijn mobiel een overnachtingsplek te vinden, maar ik heb geen bereik. Mijn ‘high’ gaat over in een ‘low’ en ik voel de tranen opkomen. Ik ben moe en voel me alleen. Waar moet ik naar toe? Er zit niks anders op dan dat ik maar richting het noorden rijd totdat ik iets tegenkom of weer bereik heb. Ik keer de bus om en rijd verslagen weer de weg op. Na een kwartiertje kom ik bij de hekken van het bezoekerscentrum van Glenveagh National Park. Op Google had ik al eerder gezien dat deze gesloten zouden zijn, maar nu ze nog openstaan rijd ik maar naar binnen. Ik kom op een groot parkeerterrein uit en zie twee andere campers staan. ‘We hebben hier afgelopen nacht ook gestaan en de hekken blijven gewoon open,’ zegt de vrouw van één van de campers. Ik haal opgelucht adem. Toch weer een plek gevonden. De honden rennen uitgelaten over de parkeerplaats. Ik verken het terrein en zie op een bord dat vanaf deze plek meerdere wandelroutes lopen. Langzaam word ik weer blij van binnen, en plan ’s avonds in de bus onze volgende wandelingen.

De muren van het kasteel zijn al in de verte te zien, een vierkante stenen toren met daarnaast een lagere ronde toren. Diverse bijgebouwen staan eromheen, die nu dienen als receptie, bezoekersruimte, restaurant, toiletten en opslagplaats voor het onderhoud van het kasteel en de tuinen. Nadat ik samen met Mika en Moran de Lough Inshagh Walk heb gelopen, bezoeken we nu het kasteel. Deze route loopt overigens langs niet alleen de Lough Inshagh, maar tot aan Lough Garten, een geleidelijke stijging en daling over de heuvels van Glenveagh. De plekken voelen oud aan, en zijn doordrenkt met historische artefacten, zoals de St. Colmcilles Cross, Church and Abbey. Behalve restanten van de kerk, abdij en het kruis zijn er ook zeer oude graven overwoekerd door bomen en planten. Met een kleine omweg zijn we bij het kasteel uitgekomen, dat over het meer Veagh uitkijkt. Het kasteel is rond 1870 gebouwd naar het voorbeeld van Balmoral Castle. De eigenaar, een rijke landspeculant, verdreef 47 gezinnen uit hun huizen, de zogenoemde ‘uitzettingen van Derryveagh’, zodat hij een beter uitzicht had. Inmiddels is het kasteel in bezit van de staat. Het is mogelijk om een kaartje te kopen om het kasteel van binnen te bekijken, maar ik loop samen met de honden om de grote muren heen naar de tuinen. De dertien hectare grote tuinen bieden een verscheidenheid aan bomen, struiken en bloemen uit de gehele wereld. Zo lopen we door de tuinen met planten uit Italië, Chili, Madeira, Tasmania tot aan de Himalaya. Kleine trappetjes, bruggetjes, vijvers en indrukwekkende stenen beelden complementeren het geheel. Het voelt sprookjesachtig, en de honden lijken ook onder de indruk van al het kleurenpracht en laten zo hun eigen sporen na.

Een stukje verleden van Marlin Beg

‘Dit gebied was al bewoond rond het jaar zeshonderd,’ zegt de man terwijl hij voorover met zijn onderarmen op het stuur van zijn quad leunt. ‘Het waren monniken. Wanneer zij niet voldeden aan alle geschriften, werden ze voor zeven jaar verbannen naar dat eiland,’ wijst hij naar een rotsig eilandje iets verder van de kust af. Ik kijk en kan net een witte toren op de hoogste rots ontwaren. ‘Dat lijkt mij eigenlijk wel lekker rustig,’ wil ik zeggen. Maar misschien idealiseer ik dat iets teveel. Altijd maar op hetzelfde kleine eiland, ook met slecht weer en onder waarschijnlijk niet al te beste leefomstandigheden is dan misschien toch niet zo heel leuk.

Ik kijk weer naar de man.’ U woont hier al lang?,’ vraag ik hem. ‘Ik ben nu al bijna zeventig en woon hier al mijn hele leven.’ Zijn gezicht is bruin en verweerd. Hij draagt een oude versleten broek, een gevlekte wollen trui en muts ver over zijn oren getrokken. Samen kijken we naar de kleine baai, dat verscholen tussen de rotsen ligt. De donkere plekken zeewier zijn goed te zien in het heldere water. Er dobbert een klein bootje. ‘Ik kom hier elke avond even kijken naar mijn boot,’ zegt hij trots. Een steil pad van kleine keien loopt omhoog langs de heuvel. ‘Vroeger trokken de paarden de visvangst omhoog over dese kleine keien, zodat ze niet zouden uitglijden,’ vertelt de man verder. ‘Net als in Amsterdam waar de paarden langs de kade over soortgelijke keien de boten door de kanalen trokken, toch?’ Ik denk even na en herinner me dat mijn vader, die uit Amsterdam komt, wel ooit zoiets heeft verteld. Naast de baai staat een wit huis met in het midden een donkerblauw geverfde deur en aan weerskanten twee raampartijen met in dezelfde kleur geverfde kozijnen. ‘Er woont nu niemand meer, maar eind achttienhonderd woonden hier zo’n veertig man in dit huis, en er lagen hier zeventien boten in deze kleine baai. Weet je welke vis ze vingen?’ Ik schud mijn hoofd. ‘Haring,’ zegt hij met zoveel eerbied alsof het goud is. ‘Vangt u ook haring?’, vraag ik hem. ‘Nee, kreeft. Gisteren had ik honderdvijftig kreeften, maar door de storm zijn de netten beschadigd. We zwijgen en kijken weer een tijdje met gefronste wenkbrauwen naar het dobberende bootje. ‘Kunt u leven van de kreeftenvangst?,’ vraag ik hem. ‘Nee, maar dat is mijn land en dat zijn mijn schapen,’ en hij wijst naar de andere kant van de baai. ‘Zie je die stenen muur daar?’ Ik knijp mijn ogen halfdicht tegen de ondergaande zon en zie wat stenen restanten liggen, waar de schapen tussendoor lopen. ‘Dat was een kerkje, ook nog uit de tijd van de monikken.’ Ik probeer me voor te stellen hoe het moet zijn geweest om in die tijd te leven: dat je leefde van de visvangst en van wat er groeide op het land, dat je je warm moest houden bij het vuur en water haalde uit de rivier. Je hield je bezig met de primaire levensbehoeften, en ergens lijkt me dat toch een gezondere manier van leven, zowel fysiek als mentaal, dan de kunstmatige, of misschien wel gesimuleerde wereld, die wij nu om ons heen gecreëerd hebben.

De honden zitten rustig naast me. Moran loopt naar de man toe, en geeft een klein likje over zijn hand. ‘Wat vindt u ervan dat hier aan het einde van het weggetje een stel campers staan en blijven overnachten?,’ vraag ik hem. ‘Je vraagt het, dus dan krijg je ook een eerlijk antwoord van mij,’ zegt de man. Er valt een stilte en hij denkt na. Hij kiest zijn woorden voorzichtig. ‘Ik vind het prima dat ze er zijn, maar ze moeten geen rotzooi achterlaten, en dat gebeurt nu wel.’ Ik knik instemmend. Helaas zie ik dat ook. De meeste mensen laten het netjes achter, maar er zijn er altijd een paar die dat niet doen. Ik zag laatst ook weer iemand die even snel zijn chemisch toilet leeggooide in het weiland, en iemand die zijn vuilnis onder de camper laat liggen en wegrijdt. Marte is inmiddels gaan liggen in het gras naast het stenen pad. ‘Ik loop terug, want ik zie dat mijn oudste hond moe is. Dank u wel voor de verhalen uit het verleden.’ De man glimlacht en wuift nog even kort terwijl hij wegrijdt op zijn quad. Langzaam loop ik terug door het kleine gehuchtje Malin Beg. Het voelt er vriendelijk en geborgen. De huizen zijn tegen de heuvelrug aangebouwd en kijken allemaal uit over de zee. Aan het einde van het weggetje is een parkeerplaats dat uitkijkt over Silver Beach, een soort hoefvormig strand in het zuidwesten van het graafschap Donegal. Via een trap van zo’n honderdvijftig treden kom je uit bij het strand. De honden rennen uitgelaten over het zachte zand.

Een passende plek in de wildernis

We lopen over een modderig pad, dat af en toe nauwelijks zichtbaar is. We zakken weg in de diepe veengrond, en ik voel de kou van het water alweer binnendringen in mijn schoenen. Soms regent het even lichtjes, maar daarna komt de zon weer tevoorschijn en verlicht de bergen om ons heen. We lopen in de wildernis van Wild Nephin, en het voelt alsof we ver weg van de bewoonde wereld zijn. Dat is eigenlijk ook zo. De bus staat geparkeerd op een klein parkeerplaatsje bij waar de Letterkeen Loop Trail Head begint. Er zijn drie gemarkeerde routes, en wij hebben voor de paarse gekozen, die dwars over de top van de Letterkeen loopt. Vanaf daar hebben we prachtig zicht op de Nephin Beg Mountains tegenover ons. De bergen lijken tot in het oneindige door te lopen. Verder is er niks: geen mensen, geen huizen, alleen maar wildernis: bergen, kliffen, venen en rivier valleien. Het liefst zou ik nog willen doorlopen, maar we hebben er alweer twee uur opzitten, en het kost ons nog minstens een uur om terug bij de bus te komen. Mika en Moran kijken nog steeds uit over de bergen. Ook zij lijken altijd weer te genieten van het uitzicht. Hun poten en buik zitten onder de modder. Ik zie dat ze magerder worden. De ribben zijn inmiddels zichtbaar bij Moran. Daarachter haar gespierde dijen en billetjes. We maken dagelijks flinke wandelingen en klimpartijen over de bergen. Ik ben zelf ook afgevallen, maar dat is niet zo erg. Die tien kilo van mijn overwintertijd in het bakhuisje kan er prima af. Ik voer de honden flink wat bij de afgelopen weken, maar toch vallen ze af. De wind is koud bovenop de Letterkeen. ‘Kom jongens, we gaan weer.’ Voorzichtig dalen we het steile gladde pad naar beneden af.

Op de parkeerplaats is maar ruimte voor twaalf auto’s. Er staan er acht wanneer wij halverwege de middag terugkomen. Het schijnt dat dit natuurgebied vrij onbekend is, en er komen weinig toeristen. Ik smeer dik boter op grote plakken volkorenbrood, en geef dit aan de honden. Daarnaast krijgen ze weer extra brokken. Om zes uur vertrekt de laatste auto, en blijven we alleen achter. Nu heb ik wel vaker alleen gestaan op afgelegen plekken, maar het voelt toch altijd weer even verlaten. Er is geen bewoning in de buurt, en ik heb zelfs geen 4G bereik. Het is alsof ik even van de wereld ben: klein, nietig en onbelangrijk. Maar ik maak wel deel uit van dit natuurlijk geheel, waar mijn plek zichtbaar en passend is. Op zulke momenten ben ik ook dankbaar voor het gezelschap van mijn honden. Zij delen deze plek en reis met mij. Ik kook een potje rijst met witte bonen in tomatensaus met veel gesmolten kaas, en eet het zittend in de deuropening van de bus. We horen het ruisen van de rivier, die naast de parkeerplaats loopt. De zon verdwijnt langzaam achter de Letterkeen.

Een eiland met een goudgeel strand

Ik besluit om naar Keem Beach, het uiterste puntje van Archill Island, te gaan. We nemen de wat langere route door de Delphi van het graafschap Mayo. Al snel hebben we prachtig zicht op de Killary Fjord, en daarna op bergachtig gebied, met aan de rechterkant de Sheeffry Hills en links de Mweelrea, een berg van rond de achthonderd meter hoog.

Het eiland Archill is te bereiken via een brug. In drie kwartier rijden we het hele eiland over naar de andere kant. Op een parkeerplaats halverwege de heuvel parkeer ik de bus, en we kijken neer op het prachtige zon verlichte strand van Keem Beach. Het blauw van de zee lijkt wel doorzichtig en laat de donkere rotsen, die zich onder het wateroppervlak bevinden, zien. De witte schuimkoppen van de golven rollen op het goudgele strand en slaan tegen de kliffen op, die zich naar de omringende groene heuvels toe strekken. Dit gebied heeft een maritiem verleden, en er staan nog wat restanten van gebouwen. Samen met Mika en Moran klim ik richting Moyteoge Head, en buigen dan af naar de Cliffs of Croaghaum aan de andere kant van het westelijke puntje van Archill. Aan alle kanten hebben we prachtige vergezichten over de oceaan, de kliffen en de heuvels. In deze gebieden is veel ‘bog’ te vinden, een soort veenmoeras. Ook hier zakken we regelmatig weg in de zachte heide en grassen. Helaas houd ik mijn wandelschoenen niet droog.

Met onze terugkomst bij de bus is het inmiddels een stuk drukker geworden. Het is weekend en de zon schijnt. Er zwemmen zelfs wat mensen in de zee. Hun opgewonden geschreeuw klinkt boven het geluid van de golven uit. Gelukkig hebben we onze eigen kleine privé terrasje voor de bus, en houd ik de lange lijnen van de honden wat korter, zodat mensen er langs kunnen lopen. Ik hang mijn natte sokken te drogen aan de buitenspiegels van de bus. Urenlang kijken we neer op Keem Beach, en al het gekrioel van mensen.

De schilderachtige bergen van Connemara

We verlaten de camping in de stromende regen. Het voelt altijd even raar om weg te gaan, nadat je ergens voor een paar dagen hebt gestaan. Behalve het regelen van praktische zaken, zoals het doen van de was, aanvullen van water, douchen en contacten oppakken via een goed WiFi verbinding, voelt een vaste plek voor even veilig en geeft een vorm van stabiliteit tijdens de vaak snel veranderende omstandigheden van het reizen.

Na een halfuurtje bereiken we al Connemara National Park. Omdat het nog steeds regent, blijf ik nog een uur in de bus zitten lezen, terwijl Mika en Moran verwachtingsvol naar mij zitten te kijken. ‘Nog even wachten,’ zeg ik meerdere keren tegen ze. Aan het einde van de ochtend begint het weer op te klaren, en schut ik eerst al het natte zand uit de matjes, dekens en de hondenmand. Het lucht altijd op wanneer de bus voor mijn idee weer een beetje schoon is. Met een doekje veeg ik de modderspetters van de deurtjes, het bankje en de achterkant van de voorstoelen. Gelukkig is ons huisje op wielen maar klein, en dan is het ook weer snel opgeruimd en schoon. Mika en Moran staan ongeduldig te wachten. Die poetsende moeder hebben ze al zo vaak gezien, maar gelukkig gebruikt ze niet die lawaaierige stofzuiger meer. Precies om twaalf uur gaan we dan eindelijk op pad. Er zijn drie gemarkeerde routes, waarvan wij de rode route pakken, die over Diamond Hill loopt. De zon begint te schijnen, en hoe hoger we komen, hoe mooier het uitzicht over de schilderachtige bergen, uitgestrekte veengronden, heidevelden, weilanden en bossen. In de verte zien we de baaien en de Atlantische Oceaan. Het laatste stuk is steil over grote stenen, maar binnen een uurtje hebben we toch de top van Diamond Hill bereikt. Vanaf daar hebben we goed zicht op onder andere de Benbaum, Benbrack en Bencullagh, die allemaal deel uitmaken van de beroemde Twelve Ben’s van de Beanna Beola-keten. We staan in de harde wind, en eten en drinken snel wat. Daarna dalen we aan de andere kant van de berg naar beneden.

Een eiland met soms een weg ernaartoe

‘Lopen we nu wel goed?’ vraag ik me af, en sta stil om nogmaals op de kaart op mijn mobieltje te kijken. Ja, hier zou een weg moeten lopen naar Omey Island, maar ik zie alleen maar zand. In de verte zie ik het blauw van de zee. Ik begrijp er niks van en kijk vertwijfeld om me heen. Opeens komt er een auto over het zand rijden. Dan zie ik een stuk verderop borden met blauwe pijlen staan. Blijkbaar moet je die volgen over het zand. Ik laat Mika en Moran van de lijn, en we volgen de pijlen. Ze rennen vrolijk voor me uit.

Na een klein halfuurtje over het geribbelde natte zand komen we aan bij het eiland Omey. Rechts zien we oude graven tegen de heuvel aan, net boven het strand. Ik kies ervoor om het enige weggetje te volgen dat Omey rijk is. Er staan een paar huisjes en boerderijen, waarvan de meeste onbewoond. Met een bordje staat er één vakantiehuis aangegeven. Er zijn geen winkels, gewoon helemaal niks. Het weggetje wordt al snel een zandpad, en eindigt in de duinen. We klimmen over grote rotspartijen, en komen uiteindelijk op het meest westelijke puntje van het eiland te staan, en kijken op een klein rotsachtig eilandje dat een stukje verder in de zee ligt.

‘Straks wordt het vloed en kan ik het eiland niet meer af,’ schrik ik in ene. Ik Google op Omey Island, en lees dat het inderdaad een getijdeneiland is. ‘Kom jongens, we gaan weer voordat we hier een etmaal vastzitten.’ Ik loop samen met de honden terug langs Fahy Lough, een groot meer dat midden op het eiland ligt. Het is gelukkig nog lang geen vloed, en binnen anderhalf uur zijn we terug op de camping.

We staan voor drie dagen op een ecologische camping, welke aan de kust van Connemara ligt, het meest westelijke deel van het Ierse graafschap Galway. Het is heerlijk om even niet te rijden en dat we op dezelfde plek kunnen staan voor een aantal dagen met uitzicht op de Atlantische Oceaan. Ik heb eindelijk na een maand twee wassen kunnen draaien, en ik heb gedouched. Moran snuffelde verwonderd aan mijn haar die avond in bed. ‘Ja, zo ruikt je moeder niet vaak.’ De tweede avond heb ik een paar uur in de keuken doorgebracht, waar een WiFi verbinding is, en een stel blogs geupload. En zo had ik weer even contact met de andere wereld, buiten mijn reiswereld om.

Het begon gisteravond al hard te regenen. Ik had gelukkig de eerste was nog droog van de waslijn kunnen halen. Maar vannacht ging het weer flink tekeer, en de tweede was druipt van het water. Ik hang de afgewaaide spijkerbroeken, die ik in de struiken terugvond, opnieuw op en wring het één en ander uit. Meer kan ik niet doen. Hopelijk klaart het weer vandaag wat op.

Aan het einde van de ochtend stopt het dan eindelijk met regenen, en ga ik weer samen met Mika en Moran op pad. Dit keer wil ik langs de kust proberen om bij Omey Island te komen. Dat is een stuk korter dan langs de weg, en hebben we ook geen last van het voorbij rijdende verkeer. De stukken strand worden omgeven door kliffen. Ze zijn spekglad van het zeewier en de algen. Ik hoor de nagels van de honden krassen over het steen. Mika kiest voorzichtig zijn sprongen uit, maar Moran is nog steeds een onhandige drukke kleuter, en plonst meerdere keren in het water. Toch lijkt ze daar niet echt van onder de indruk, en klimt net zo snel weer terug op de rotsen. We komen een hek tegen. Ook hier vallen weer veel stukken grond, en blijkbaar daarmee ook het stuk kustlijn dat erachter ligt, onder particulier eigendom. ‘Tja, nu we zo ver gekomen zijn, ga ik ook niet meer terug,’ besluit ik. Ik houd het prikkeldraad omhoog, zodat de honden eronder door kunnen. Daarna doe ik mijn rugzak af en schuif op mijn buik door het natte zand onder het draad door. We glibberen verder over de rotsen en trotseren nog een hek. Maar uiteindelijk komen we op het strand uit, en maken we weer de oversteek naar Omey Island. Dit keer lopen we langs de strandkant van het eiland, en passeren we de oude graven. We zien even verderop de ruïne van een kerk, en zelfs dat van een oude waterput. Het eiland ademt een historisch verleden. Het weer klaart steeds verder op, en er komt een waterig zonnetje tevoorschijn. We hebben vandaag beter zicht op het kleine rotsen eilandje dan gisteren. We doorkruisen het eiland nog een keer. Onder het lopen mijmer ik over het wonen op een eiland zoals deze. En dat je afhankelijk bent de natuur om het eiland wel of niet te kunnen verlaten. Dit keer lopen we langs de weg terug. Het kost iets meer tijd, maar nogmaals een klimpartij langs de gladde kliffen zie ik niet zitten.

Bij terugkomst is de was aan de lijn droog geblazen door de wind. We slapen vannacht weer tussen de schone lakens. Morgen gaan we weer verder met onze reis langs de westkust van Ierland.

Maanlandschap en koraalstrand

Het is alsof we door een maanlandschap rijden, maar dan wel eentje met veel groen en een rijke hoeveel aan planten. Rechts van ons, langs de Wild Atlantic Way, zijn grote grijze rotsplateaus te zien, vol met groeven en spleten. De Burren is een uniek kartslandschap in het noordwesten van de graafschap Clare. Het kalksteengebied wordt aan de noordzijde begrensd door dw Baai van Galway, en aan de westzijde door de Cliffs of Moher. De Burren heet in het Iers ‘Boireann’ en betekent ‘Grote Rots’. Onder het gebied liggen duizenden grotten, en is tevens rijk aan archeologische monumenten, zoals de Poulnabrone Dolmen, een grafmonument uit het Neolithicum. Maar wij rijden vandaag door naar Coral Beach. Het laatste stuk wordt steeds rotsachtiger. Het lijkt op een begroeid duingebied met heel veel rotsen en stenen muurtjes die kriskras door elkaar lopen. Ik had gedacht dat het gebied meer geïsoleerd zou zijn, maar de bebouwing loopt door tot aan Coral Beach. Hier en daar zijn nog de oude huisjes en schuurtjes te ontdekken, veelal onbewoond, maar de nieuwbouw is in volle gang. Er staan graafmachines en hijskranen, en er wordt volop gebouwd. Op de parkeerplaats aan Coral Beach staan wat auto’s en een paar campers, maar ik vind nog een mooi plekje met uitzicht over de rotsen en de zee. Het strand schijnt vooral op geologisch gebied van grote betekenis te zijn. Het is geen zandstrand, maar dat van kleine stukjes opgedroogde mossel en algen. Het knispert onder onze voeten. Op een rustig stukje laat ik de honden van de riem, en spelen ze bij het water. Moran springt als een berggeit van rots naar rots. Daarna laat ik de schuifdeur op een kiertje staan, en slapen we urenlang. Ik merk dat we moe zijn van het reizen en alle indrukken die we daarbij opdoen. We zijn tenslotte alweer ruim een maand op pad. Ik zie dat er niet zo heel ver vanaf Connemara National Park een ecologische camping aan het strand ligt. Deze boek ik vanaf morgen voor drie nachten.