Nog meer kliffen

In plaats van om te rijden via Limerick richting The Burren, ben ik van plan om de ferry vanaf Tarbert naar Killimer te nemen. Halverwege de ochtend vertrekken we, en de ferry legt net aan wanneer wij daar tweeëneenhalf uur later aankomen. Ik rijd de bus de boot op, en zet de motor stil. De honden hebben inmiddels vaker met de boot gereisd, maar we hebben nog niet eerder met de bus bovenop het dek gestaan. De boot komt langzaam in beweging, en we deinen op en neer in het water. Moran staat op de stoel naast me, en kijkt met grote ogen om zich heen. We staan vooraan op de hoek, en af en toe kletst er een grote golf over het dek heen. Het zeewater klettert elke keer hard op de bus neer. Binnen een mum van tijd droogt het zout van de zeewater op, en lijkt het alsof we ijskristallen op de ramen hebben zitten. Opgewonden springt Moran vanaf de voorstoel op het bed, kijkt uit de achterraampjes, en springt dan weer terug om uit het voorraam te kijken. De sprong is minstens twee meter, maar ze wil dit keer niks missen van haar boottochtje.

Vanaf Killimer rijd ik door naar de Cliffs of Moher. Ik wil niet op het immens grote parkeerterrein bij het bezoekerscentrum staan, maar via de Park4Night app vind ik een parkeerplaatsje bij een boerderij, niet ver vanaf de Moher Tower at Hag’s Head. Vanaf hier is het ongeveer anderhalf uur lopen om bij O’Brien’s Tower van de Kliffen van Moher te komen. Ook hier staan weer bordjes dat het verboden voor honden is. ‘Ga er maar gewoon wandelen met de honden, hoor,’ zegt de vrouw van de boerderij. ‘Dat doen wel meer mensen. Er lopen geen schapen, enkel koeien, en er staan hekken. De reden dat honden er niet zouden mogen lopen is omdat sommige mensen bang zijn voor honden.’ Halverwege de middag ga ik op pad met Mika en Moran. We lopen over de bovenkant van de kliffen, waarvan de randen iets omhoog staan, net als de schuimkoppen op de golven ver beneden ons. Op sommige punten zijn de kliffen meer dan tweehonderd meter hoog. Het waait soms zo hard, dat ik mijn benen nauwelijks vooruit krijg. De vacht en de krulstaarten van Mika en Moran worden flink uit model geblazen, en zo af en toe zoeken ze dekking achter de stenen muurtjes. Het gegroefde steen van de kliffen spreidt zich uit als vingers zuidwaarts tot aan de verderop gelegen graafschappen van Cork en Kerry. Vanaf O’Brien’s Tower zouden we zelfs de Aran Islands moeten zien liggen, maar daar is het nu helaas te bewolkt voor. Bij deze toren, die niet ver vanaf het bezoekerscentrum staat, is het erg druk. Busladingen vol met mensen worden er af gedropt, en er worden heel wat selfies genomen. Ik knoop de honden aan het hek en neem een kijkje in het bezoekerscentrum, dat in de heuvel is ingebouwd. Er is een winkel, café, een uitgebreide tentoonstelling over de kliffen en zijn habitat, en er speelt om de zoveel tijd een film af in de kleine filmzaal. Ik koop in de winkel een stukje gekleurd glas met een Keltisch element erin. Wanneer de zon erdoorheen schijnt, zou dit een mooi kleureneffect moeten geven. Wanneer ik weer naar buiten kom staan er rijen dik om de honden heen foto’s te nemen. Blijkbaar zijn zij ook een interessante attractie. Elke keer komen er weer mensen om met ze te knuffelen. Het duurt een uur voordat we eindelijk kunnen wegkomen, en beginnen we aan onze terugtocht van de Liscanner Walk. Het is al tegen zeven uur in de avond wanneer we aankomen bij de boerderij. Marte springt uitgelaten uit de bus. We zijn vier uur weggeweest, en ze is blij dat we er weer zijn. Van de vrouw van de boerderij mag ik voor vijf euro een nachtje blijven staan. Er is een toilet en ik mag mijn jerrycans bijvullen met water. Het waait nog steeds hard, en er valt af en toe een bui. Het is maar twaalf graden Celsius in de bus. Na een snelle maaltijd liggen we al om negen uur in bed. Ik heb een warm kruikje in mijn rug, en we luisteren nog een tijdje naar de wind die om de bus heen raast.

Heel veel kliffen

We gaan weer vroeg op pad, en dit keer kies ik ervoor om over de Ballaghasheen Pass en de Ballaghbeama Gap te rijden. Uiteraard weer een klein weggetje, maar met prachtige vergezichten.

Vlak voordat we bij Kerry Cliffs aankomen, stop ik aan de Skellig Ring bij nog een Wild Atlantic Way Discovery Point. Ik ga er vanuit dat het vrij toeristisch is bij Kerry Cliffs, dus ik kan maar beter eerst hier een wandeling mef de honden maken. We klimmen tot tot bovenop de heuvel, en hebben vanaf daar een mooi uitzicht op de kustlijn rondom Kerry Cliffs en zien zelfs een groot gedeelte van Valantia Island liggen.

Kerry Cliffs blijkt ook weer onder particulier bezit te vallen. Een kaartje kost vijf euro. Voor vijftien euro mag je er ook blijven overnachten op het terrein. Er staan toiletten, en een karretje dat zelfgebakken scones en wat snoep verkoopt. De grijswitte gelaagde kliffen tornen op meer dan honderd meter boven de zee uit. Groene grassen groeien tussen de lagen. Boven de harde wind hoor ik de golven stuk slaan op de lange stenen uitlopers, die langzaam in de zee lijken te verdwijnen. Erboven vliegen de krijsende meeuwen. In een duikvlucht scheren ze langs de kliffen omlaag. Ik zweef mee op de wind en de golfslag van de zee.

Aan het einde van de middag kom ik aan bij een parkeerplaatsje dat op de klif boven Coumeenoole Beach ligt. Het staat nog helemaal vol met auto’s. Ik wurm mijn bus erlangs en parkeer in de lengte langs het weggetje, dat doodloopt op het strand. Coumeenoole Beach is omgeven door kliffen. Er zijn flinke golven, waarvan het geluid weerkaatst tegen de hoek waarin het strand zich bevindt. Bovenop de klif, in de luwte van de achterliggende heuvels, staan een tiental huizen. Ik wil met de honden het stukje naar Dunmore Head lopen, maar ook hier staat weer een bord dat honden niet verder mogen.

Dunmore Head is een voorgebergte in het meest westelijke deel van het schiereiland Dingle, en is tevens het meest westelijke plekje van Ierland, en dus Europa. Tegen de avond neemt de drukte af, en blijf ik samen met drie andere campers over bovenop de klif. Het begint te schemeren, en inmiddels is het eb geworden. Het strand blijkt tot aan de andere hoek van de baai te lopen. Ik daal met de honden de klif af, en we lopen over het natte zachte zand. Er stroomt een klein watertje langs de rotsen de zee in. De honden drinken ervan. Vanaf het strand zien we de zon langzaam achter de kliffen verdwijnen. Het laat een zachte roze glans op het water achter, en de bus bovenop de klif baadt in een oranje gloed.

Terug bij de bus, leg ik de honden vast aan de lange lijn voor de open schuifdeur. Ik klim de heuvel van Dunmore Head op. Binnen een kwartiertje bereik ik het stenen huisje dat dient als uitkijkpunt. Het is tien uur ’s avonds en de zon is bijna onder. De laatste rotspunten van Dunmore Head lossen op in de mist en de zee. Het lage zonlicht strijkt eroverheen, en geeft het daarmee een bijna mystieke fonkeling. Ik adem diep in, en ben blij dat ik alleen en in stilte op dit punt mag staan.

Doodeng, maar wel mooi

We vertrekken al om acht uur in de ochtend. Geen van ons heeft ontbeten. Ik wil vandaag de route over de Gap of Dunloe rijden. Wanneer ik de reviews lees, waarschuwt men er vooral voor dat het een zeer smal weggetje betreft. Door vroeg in de ochtend te gaan, hoop ik zoveel mogelijk drukte te vermijden. Via de Ring of Kerry rijden we over Molls Gap. Ik stap even uit om wat foto’s te nemen, want het uitzicht is er prachtig. Daarna pakken we een superklein weggetje genaamd de Derrylea, dat daarna verandert in Gallavalley en door Black Valley loopt. Dan pakken we het laatste stukje: de Gap of Dunloe. Ik slik nerveus en grijp het stuur nog wat steviger vast. Het weggetje is uiterst klein, vol met haarspeldbochten. Mika en Moran komen weer naast mij staan, want ook zij voelen de spanning stijgen. Het geluid van de motor intensiveert nu we zo schuin omhoog rijden. Af en toe valt er wat lichte regen, maar de zon komt zo nu en dan ook tevoorschijn, en dat geeft het berglandschap een dramatisch effect. Grote rotsblokken liggen door het landschap verspreid en overal zijn watervallen te zien. En net als op de Healy Pass, zijn ook hier veel schapen, die rustig over de weg lopen en er zelfs liggen te slapen. Meerdere keren zet ik de bus stil om foto’s te nemen. Het nadeel van dat het nog vroeg in het seizoen is, de kans dat het weer wat slechter is, het voordeel is dat het minder druk met mensen en auto’s is. Ik kan in ieder geval in alle rust door het landschap rijden. Links van ons zou Carrauntoohil te zien moeten zijn, met haar 1038 meter de hoogste berg van Ierland. Maar met alle bewolking is mij onduidelijk welke berg dat nu precies is. Ookal vind ik het soms doodeng om over dit soort weggetjes te rijden, ik ben toch blij dat ik het doe, want ik heb zelden zulke indrukwekkende uitzichten gezien. Ik vind het een van de mooiste routes die ik ooit heb gereden.

In een lusje rijd ik via het zeer toeristische stadje Killarney, het Killarney National Park in. Daar parkeer ik bij Killarney Hiking Parking Lot, van waar diverse gemarkeerde routes lopen. In de middag pakken we geen van de drukbezochte gemarkeerde routes, maar maar een pad dat achter de parkeerplaats omhoog loopt richting Torc Mountain. We lopen door een stil naaldbos, waar we enkel de wind horen ruisen door de toppen van het naaldendek. De inmiddels bijna uitgebloeide rododendrons staan als wolkjes door het bos verspreid. Langs de dunne stammen van de dennen zien we af en toe de contouren van de bergen, die erachter liggen. We maken een ronde langs de flanken van de Torc, en komen uiteindelijk onder de parkeerplaats bij Torc Waterfall weer uit. Over de boomtoppen zien we het felle blauw van Muckross Lake. Ondanks dat er af en toe een regenbui valt, lopen er veel mensen. Killarney National Park is een populair gebied.

Terug bij de bus zie ik op de kaart dat een kleine dertig kilometer verderop een parkeerplaats is, van waar een wandelroute naar de Carrauntoohil loopt. De berg maakt deel uit van de MacMilliguddy Reeks, die in de Ring of Kerry liggen. De hele berg zal niet lukken met de honden, maar een klein stukje ervan lijkt me een mooie wandeling voor morgenochtend. En hoewel ik niet graag in de avond nog ga rijden, met het risico dat de parkeerplek tegenvalt of dat ik er überhaupt niet kan staan, doe ik het voor een keertje wel. Nog geen drie kwartier later draai ik het parkeerplaatsje op, dat een stukje ligt ingegraven in de heuvel boven de weg ligt. We staan er als enige. Ik zie een mooi wandelpad de bergen inlopen, maar dan zie ik ook meteen het bord ernaast, waarop staat ‘Private property. No dogs allowed’. Verdorie zeg, dit kom ik wel erg vaak tegen in Ierland. ‘De schapen kunnen schrikken van de honden en in paniek van de klif af rennen,’ vertelde een Ier, die ik de dag ervoor had ontmoet. Wat een teleurstelling. ‘Maar goed, we hebben vanuit de bus wel een mooi uitzicht op de MacMilliguddy Reeks. Daar moeten we dam maar van genieten.’ Samen met Mika en Moran kijk ik vanaf bed naar de steeds donker wordende bergen, en horen we de wind en de harde regen op het dak van de bus.

Wat wil een mens nou nog meer?

We rijden richting Mizen Head, het meest zuidwestelijke puntje van Ierland. Vanaf nu pakken we delen van de Wild Atlantic Way, een route langs vooral de westkust, maar ook stukken van de Noord- en zuidkust van Ierland. Al snel rijden we weer over een klein weggetje, maar met de meest indrukwekkende kliffen en uitzichten over de Atlantische Oceaan. Het zicht is wat heiig, waardoor het lijkt alsof er een soort blauwachtige sluier over het water en de bergen daarachter hangt. Grote rotsblokken markeren het landschap. Schapen, koeien en paarden grazen van de schuine hellingen. Gestapelde muurtjes zijn overgroeid met heide en varens. Langzaam klimmen we omhoog naar het zuidwestelijke puntje toe. Mizen Head is natuurlijk ook weer zo’n toeristisch punt. Ik ben bewust na sluitingstijd gekomen, maar grote hekken voorkomen dat je het laatste stukje ziet. Daarvoor moet men een kaartje kopen. Het is in ieder geval een prima plek om te overnachten. Er staan een stuk of tien andere campers, en ik parkeer met het zicht op de woeste zee in de diepte. Ik maak mijn gebruikelijke pannetje spaghetti. De honden genieten van hun nieuwe merk brokken. Er zijn wederom geen wandelpaden te bekennen, dus na het eten lopen we een stuk van het weggetje af in de snijdende wind. Verder waagt niemand zich buiten de camper. We gaan vroeg naar bed. Ik denk even terug asn de weken dat ik samen met Mika en Moran de Waddenroute liep, en dat we in een tentje sliepen. Wat ben ik blij dat we nu in het veilige metalen buikje van de bus liggen. En we hebben alles bij de hand: warmte, water, eten en een toiletje. Wat wil een mens nou nog meer?

De volgende dag vervolg ik mijn route over de Ring of Beara, die het Caha-gebergte doorkruist via de Healy Pass. Het weggetje kringelt zich tussen de bergen omhoog. Grote rotswanden markeren het landschap. Overal zien we het wit van bruisende watervallen, die over de rotsen hun weg naar beneden vinden. We rijden over talloze kleine stenen bruggetjes, en overal lopen schapen op de weg. Mika en Moran staan beiden naast me, en kijken mee door de voorruit. Bovenop de pas stap ik even uit en maak wat foto’s. Een parkeerplaats is er niet, evenmin als een wandelroute.

Na de pas pak ik de Wild Atlantic Way weer op, en vind een klein parkeerplaatsje bij in de buurt van een Discovery Point. Vanaf de weg is het niet te zien. Het ligt verscholen achter een stenen muurtje en beplanting. Vanaf het parkeerplaatsje hebben we zicht op de zee. De honden rennen over het stenen strandje naar het water toe. Marte staat er als eerste in, terwijl Mika en Moran de rotsen uitlopers verkennen. Verder staan er een paar stenen picknick bankjes, en er is een piepklein haventje met twee bootjes. Wat een vrijheid, en wat een fijne plek om te overnachten.

Minder toeristisch, maar wel mooier

De wind rukt hard aan de bus. We schudden heen en weer. Vanaf bed zien we door de achterraampjes van de bus de witte schuimkoppen van de golven het strand oprollen, en we horen het bulderen van de zee. Aan weerskanten van het strand lopen schuine grashellingen af naar donkere rotsen toe. De lucht is witgrijs, en af en toe regent het. Door de voorruit van de bus zien we een glooiend landschap met her en der witte boerderijtjes. Bij sommigen brandt een lichtje. We staan op een klein parkeerplaatsje aan Red Strand Beach, dat aan een stil weggetje ligt. Er staat één ander klein blauw camperbusje. Af en toe zie ik iemand, gebogen tegen de wind en de regen, de hond uitlaten op het strand. Maar verder is het stil.

We kwamen hier pas om half acht in de avond aan. De rit vanaf Knockmealdown Mountains duurde maar liefst vier uur, en halverwege heb ik boodschappen gedaan. De bus is weer gevuld met vers fruit en groenten, twintig kilo hondenbrokken, achtien toiletrollen, koek, chocola en een kilo kaas. Ik heb net een chocoladebroodje en een roombroodje op, en weggespoeld met een kop warme thee. Daarna laat ik de honden nog even rennen op het strand. Het wordt vloed. De wind blaast nog steeds hard, en de golven volgen elkaar snel op. Bij de bus klop ik nog wat matjes, dekens en de hondenmand uit. Het zand zit overal, tot in mijn ondergoed, merk ik wanneer ik me uitkleed. ‘Nou, weltrusten jongens,’ zeg ik tegen de honden, terwijl ik nog wat zand uit mijn oor peuter, en de bus onophoudelijk blijft schudden in de wind.

De volgende ochtend word ik al om vier uur wakker. Door het dakraampje zie ik dat het net een beetje licht wordt. Het waait nog steeds, maar het regent niet meer. Ik voel me een beetje misselijk. Ik weet niet of dat van het schudden van de bus komt, en dat ik als het ware zeeziek ben, of dat het roombroodje van gisteravond niet goed gevallen is. De honden slapen in ieder geval rustig door. Moran ligt half onder het dekbed stijf tegen me aangedrukt met haar kop in mijn schoot. Ik open het gordijntje van de achterdeur en kijk naar het ritmische bewegen van de golven. Om zeven uur zijn de eerste hondenuitlaters er alweer. Mika en Moran willen nu ook naar buiten. Knarsend gaat de schuifdeur open. Daar zit dus ook al zand tussen. Hetzelfde geldt voor het raampje dat ik opendraai. Knarsend gaat het met moeite omlaag. De honden spelen met de andere honden op het strand, hoewel ze niet te dicht bij de bus mogen komen van Mika. Dan gaat zijn lip omhoog en gromt hij. Marte loopt net een huppeltje en rolt in het zand. Moran vliegt heen en weer als een drukke kleuter, totdat Mika haar uiteindelijk corrigeert met een flinke snauw.

Halverwege de ochtend loop ik samen met Mika en Moran naar Galley Head Lighthouse. Het is een prachtige wandeling langs kleine weggetjes. En het is er een stuk minder druk vergeleken met de omgeving bij Hook Head Lighthouse. We kijken uit over een groen landschap met witte huisjes en daarachter de blauwe zee. Restanten van half afgebrokkelde stenen huisjes doen herrinneren aan een vroegere tijd. Koeien en hun kalveren staan rustig te grazen met uitzicht op zee. De bermen staan hoog met allerlei soorten grassen en geurige bloemen en kruiden. Wanneer we aankomen bij de vuurtoren snap ik ook meteen waarom het zo stil is, want deze is niet toegankelijk voor publiek. We kunnen er alleen op een afstandje naar kijken. We lopen over een klein paadje langs de rotskust, maar ook deze houdt er al snel mee op. Aan de ene kant begrijp ik het wel. Als omwonende zou ik ook niet die drukke taferelen zoals bij Hook Head Lighthouse willen hebben. En eigenlijk vind ik het gebied hier veel mooier dan op zo’n toeristisch punt.

Verrassende plek

Soms komt een plek als een complete verrassing. Mijn verwachting van Knockmealdown Mountains was dat van een stel kale heuvels, en was vooral bedoeld als tussenstop op weg naar het zuidwesten van Ierland. Maar wanneer ik The Vee Pass over rijd, zie ik een prachtig bergachtig landschap om me heen. Precies op de grens van de graafschappen Tipperary en Waterford ligt een parkeerplaats. Het is er druk, want de Ieren hebben een vrije dag vandaag. Maar ik heb het geluk om nog net een plekje te vinden aan de rand van de parkeerplaats met uitzicht op de pas en de glooiende vallei eronder. De ronde toppen van de bergketen zijn bedekt met heide. Wat lager bevindt zich voornamelijk een mix van sparren en dennen. Zowel de heide als de naaldbomen zijn doordrongen van een paarse kleurenpracht van de bloeiende rododendrons. Wanneer we later op de middag de Blackwater route lopen richting Clogheeh, zien we dat er onder de naaldbomen en rododendrons geen enkel streepje zonlicht wordt toegelaten. De bodem bestaat uit mos en een dik bed aan dennennaalden. Het voelt er heerlijk koel.

Die avond blijft er één andere camper op de parkeerplaats staan. Het is een jong Duits echtpaar, dat net als ik, langs de zuidwestkust omhoog wil toeren. Het zijn de eerste buitenlandse toeristen, die ik na ruim tweeëneenhalve week op reis door Engeland en Ierland, ontmoet.

De dag begon met donkergrijze bewolking en regen, maar eindigt met een heerlijk zonnetje. Ik maak weer een pannetje met spaghetti, zalm en groente uit blik, met gesmolten kaas erover. De honden staan er verlangend naar te kijken, en krijgen ook ieder een beetje over hun brokken heen. Vanuit de bus kijken we, al etende, naar de paarse vallei onder ons.

De volgende ochtend blaffen de honden mij al om zes uur wakker. Ik hoor een schrapen geluid buiten aan de bus. Voorzichtig kijken we onder het gordijntje door, en zien een stel schapen om onze bus heenstaan. Het is nog vroeg, er staat een harde wind en de wolken hangen laag over de heuveltoppen, maar we gaan toch maar weer op pad. Dit keer volgen we de Blackwater route de andere kant op richting Farbreaga, en klimmen gestaag langs de bergketen van de Knockmealdown Mountains omhoog. ‘Och, dat is jammer.’ We zijn een klein uurtje verder, en moeten nu via een steile trap over een hek heen. De traptreden zijn als dat van een ladder. De honden kunnen er niet op staan. Moran krijg ik nog over het hoge hek getild, maar Mika met zijn zesentwintig kilo krijg ik er niet overheen gesjord. Even verderop zie ik een klein pad recht omhoog de Knockshanahullion opgaan. ‘Oké, dan pakken we die maar.’ Deze berg van 652 meter hoog, heeft een ronde top, dus het is onduidelijk waar nu precies het hoogste punt ligt. We lopen over de zachte heide. Het is lastig om te zien waar ik mijn voeten moet neerzetten. De grond is oneven en er liggen stenen verstopt onder de dikke laag planten. Mijn enkels hebben het zwaar te verduren, en ik glijd meerdere keren uit over het natte gras en de modder. Ik houd mijn focus op de Sugarloaf Hill en de Knockmealdown, respectievelijk 663 en 794 meter hoog, want deze liggen beiden recht tegenover de vallei waar de bus geparkeerd staat. Donkere wolken bewegen zich in rap tempo over hun toppen heen.

Het laatste stuk naar beneden is zeer steil, en Mika en Moran moeten achter mij lopen, zodat ze niet aan de heupriem kunnen trekken en mij uit balans brengen. We komen uit bij een klein kapelletje met een groot wit beeld van Maria, oftewel A Catholic Shrine To Our Lady of Lourdes, zoals het staat beschreven. In het halfopen kapelletje staat een tafel met kaarsjes, papiertjes en andere prullaria, die mensen blijkbaar hebben achtergelaten. Moran wil er maar al te graag aan snuffelen, maar ik trek haar mee voordat ze iets van de tafel pakt. Ze is nog steeds een vrij onbehouwen jonge hond, en de details van een Mariabeeld ontgaan haar compleet. Mika, daarentegen, is een stuk bedachtzamer en kijkt Maria even in de ogen. Daarna loopt hij met lichte tred verder. Wie weet heeft hij het licht gezien.

Toeristische trekpleister?

Het is een regenachtige dag, wanneer ik vroeg in de ochtend vertrek vanuit Wicklow Mountains richting de zuidkust. Tweeëneenhalf uur later komen we aan bij Hook Head Lighthouse. Ondanks de regen is het er druk. Ik heb het geluk nog net een plekje te vinden met uitzicht op zee, met de vuurtoren pal achter ons.

‘Er zijn hier geen wandelpaden. Al het land hieromheen valt onder particulier eigendom,’ vertelt de vrouw in het toeristenwinkeltje. In het overvolle restaurant ernaast haal ik fish and chips. De enorme vis en dikke stukken patat verdeel ik in de bus tussen de honden en mijzelf. Heerlijk vettig eten, vooral na al die weken blikvoer.

In de middag loop ik samen met Mika en Moran naar de haven in Slade. Er is geen voetpad, dus we lopen over het nauwe weggetje, terwijl het drukke autoverkeer langs ons heen raast. Er staan inderdaad overal borden met ‘private property’ erop. Hook Head Lighthouse staat hoog aangeschreven als toeristisch trekpleister, maar het valt mij een beetje tegen. Er zijn  geen wandelpaden, en het is er ontzettend druk met auto’s en mensen. Het weer zit eerlijk gezegd ook niet mee: het is koud, donker en grauw. Maar ik blijf er toch maar een nachtje staan, ingeblikt tussen de andere campers, want ik heb ook geen zin om verder te rijden. Ik maak het gezellig in de bus met de gordijntjes dicht en een kaarsje aan. De honden slapen rustig, terwijl ik nog uren zit te lezen uit een dik boek.

Wicklow Mountains

We lopen over een langgerekte helling, waar maar geen einde aan lijkt te komen. Het gras is zompig, en ik moet continu oppassen dat ik niet wegzak in de nattigheid en de modder. De modderspetters zitten sowieso al tot ver boven de knieën van mijn wandelbroek, die ik schoon had aangetrokken vanochtend. De wind is ijskoud en rukt aan mijn trui. Donkere wolken trekken over de heuvels. Ik stop en pak het fleecevest dat om mijn middel is geknoopt. Behalve mijn vest, zet ik ook een muts op en trek handschoenen aan. De honden staan met hun rug naar de wind gekeerd. De oren liggen plat op hun kop. Echt blij kijken ze niet. Een beetje wind vinden ze wel leuk, maar dit is iets teveel. ‘Nog een klein stukje,’ roep ik boven de wind uit. We bevinden ons op de Fraughan Rock Glen. Daarachter ligt de Lugnaquilla, die met haar 925 meter de hoogste berg van de Wicklow Mountains in het zuidoosten van Ierland is. Onder ons ligt een steil steenveld, waarover we geklommen zijn. We vervolgen ons pad rond de dotten heide en het zwarte zand. Zogauw we bovenaan de helling zijn, zien we nog meer uitgestrekte hellingen voor ons. Ik weet nu niet of we zicht hebben op de Lugnaquilla. Ik heb geen 4G bereik en zelfs GoogleMaps laat het afweten. Er zijn geen wandelbordjes die de route aangegeven, zoals in Engeland. De natuur is hier veel ruiger en de wandelpaden zijn soms nauwelijks zichtbaar. Er zijn ook minder mensen. Ik hoor stemmen, maar zie niemand. We lopen verder, en zie even later twee mensen met touwen aan de zijkant van een rots hangen. Ze lijken als twee kleine poppetjes in de verte, maar hun stemmen weerkaatsen tegen de rotswand. Er lopen talloze rivieren en watervallen over grote gladde stenen naar beneden. Mika en Moran drinken ervan. Het water ziet er koperkleurig uit. Hier en daar kom ik gekavelde stukken grond tegen. Ik weet dat hier gemijnd is, en ik vraag me af of er ook naar koper gedelfd is in deze regio. Boskap vindt er in ieder geval nog op grootschalig niveau plaats. Stukken naaldbos zijn als happen uit de heuvels genomen. Brede grindpaden lopen erlangs. In de verte zie ik een bordje staan, en we lopen ernaartoe. Ik lees dat er militaire oefeningen worden gehouden. Je mag er lopen, maar je wordt geadviseerd om geen militaire brokstukken aan te raken. ‘Nou jongens, het wordt tijd dat we teruggaan,’ zeg ik tegen de honden.

De bus staat wederom geparkeerd aan het einde van een weggetje, dit keer op Baravore Car Park in Wicklow Mountains. De Wicklow Mountains liggen ten zuiden van Dublin. Ik ben via de R756 door het gebied gereden, en de uitzichten waren adembenemend. Vanuit de bus hebben we een doorkijk met aan weerskanten langgerekte heuvels. De wanden zijn steil en bestaan vooral uit steenvelden en bremstruiken. De honden liggen op het gras in de zon. Zij lijken ook te genieten van het uitzicht. Achter de bus stroomt een klein watervalletje. Alles voelt heel vredig. Asn het begin van de avond druppelen nog wat campers het terrein op. Het zijn allemaal oude logge campers, en ik verbaas me dat ze over het nauwe weggetje durven te rijden. Ze hebben allemaal een Iers kenteken. Tot nu toe ben ik nog geen enkele andere buitenlandse toerist tegengekomen. Maar vannacht staan we in ieder geval niet alleen.

De volgende dag was de planning om een korte wandeling van hooguit anderhalf uur te doen, en daarna door te rijden naar de zuidkust. Dit keer lopen we langs de rivier geleidelijk omhoog. Hoe hoger we komen, hoe mooier het wordt. Het brede stenen pad gaat over in een klein paadje dat ons over uitgestrekte heide en graslandschap voert. We lopen uiteindelijk tot aan Table Mountain. Er staat, net als de dag ervoor, een harde wind en donkere wolken hangen laag over de heuveltoppen. Ik neem snel een paar slokken water en geef de honden een paar hondensnoepjes als traktatie. Daarna keren we om en lopen dezelfde weg terug. De wandeling heeft uiteindelijk ruim drie uur gekost. Het is halverwege de middag, en ik heb geen zin meer om te rijden. ‘We blijven nog maar een nachtje,’ zeg ik tegen de honden. De sfeer onder de camperaars voelt goed. Ik zit met een kop thee in de deuropening van de bus, en geniet van het uitzicht en de rust.

Dwars door Ierland

Ik zit op het dek van de ferry vanaf Cairnryan, en zie Larne in gestaag tempo dichterbij komen. Hoewel Noord-Ierland bij Engeland hoort, voelt het alsof ik een nieuw land binnenkom. Tussen de vrachtwagens in rijd ik van het schip af en volg de route naar Beaghmore Stone Circles. Dat is de eerste stop die ik van te voren had uitgezocht op weg richting de zuidkust van Ierland. Het is maar anderhalf uur rijden, en ligt net onder de Sperrin Mountains. Ik rijd door heuvelachtig gebied, nog altijd over kleine weggetjes. De huizen zijn echter heel anders dan in Engeland, geen fraai uitziende cottages, maar doorsnee huizen met veelal wit pleisterwerk op de muren en nep natuursteen als sierwerk rond de voordeur en ramen. Het parkeerplaatsje bij Beaghmore Stone Circles bevindt zich bovenop een heuvel aan een rustig weggetje. De honden rennen er vrij rond, terwijl ik de steencirkels bezichtig, een complex van megalitische kenmerken uit de vroege bronstijd. Aan de overkant van het weggetje begint de Solar Walk, een drieënhalve kilometer wandeling waarbij de link wordt gelegd tussen het sterrenstelsel en de steencirkels.

De volgende dag doen we opnieuw een tussenstop richting de zuidkust. Ongemerkt passeren we de grens naar Ierland. Het is dat het me in ene opvalt dat de benzineprijzen in euro’s en de rijsnelheden in het metrische systeem worden weergegeven. Het andere wat me opvalt is de grote hoeveelheid bijbelse teksten die hier op muren en borden staan. Speelt religie hier nog steeds zo’n grote rol, of zijn het restanten uit een verleden? We stoppen op een parkeerplaats aan de rand van Lough Owel. Er dobberen wat bootjes aan de oever, en er staat een eenzame visser in de regen te vissen. Tussen de buien door laat ik de honden vrij rennen langs het water. Ik kan helaas geen wandelpad vinden rond het meer, maar een paar dagen wat minder wandelen is niet erg. Ook hier staan we in de avond weer helemaal alleen. Het is gestopt met regenen, en we zien vanuit de bus een mooie zonsondergang, die reflecteert op het rimpelloze water van het meer.

Een stukje Schotland

We rijden over een alsmaar smaller wordend weggetje Galloway Forrest Park in. Het regent sinds we de grens bij Schotland zijn overgekomen, en dan ziet alles er meteen een beetje troosteloos uit. We parkeren aan het einde van het weggetje bij Upper Bruce Stone Car Park. Er staan maar een paar auto’s en een klein busje. Dat is in ieder geval al een heel verschil met Lake District, die tegen de tijd dat wij vertrokken alweer helemaal vol stond met auto’s. De natuurgebieden in Schotland zijn minder bewoond en ogen ruiger dan die in Engeland. De honden kunnen hier tenminste weer van de lijn en rennen vrij rond.

Later op de avond maken we een klein rondje naar Loch Trool, het meer dat we beneden in de vallei zien liggen. We pakken een paadje dat dwars door het bos loopt. Marte loopt dapper mee over de grote keien. Het is dichtbegroeid met oude eiken en beuken. Onder de bomen groeien struiken en varens. Er liggen grote met groen bemoste stenen, en dikke strengen mos klimmen omhoog langs de stammen van de bomen. Aan alles is te zien dat hier veel regen valt. Binnen een halfuurtje hebben we het meer bereikt. De honden neuzen wat rond langs de oevers en in het heldere water. Het begint weer lichtjes te regenen, en we lopen terug naar de bus.

De volgende ochtend open ik de schuifdeur, en we worden meteen overvallen door een leger aan kleine zwarte steekvliegjes, de zogenaamde midgets. Binnen een mum van tijd ziet het zwart van de vliegjes in de bus. Ik trek een jas aan, doe handschoenen aan en een muts op, maar ze kruipen in mijn neus, oren en ogen. Zelfs ademen wordt lastig, en voel ik ze in mijn keel. Zonder te ontbijten sluit ik de bus met een klap en sprinten we de berg op. Gelukkig laten we de vliegjes al snel achter ons. We volgen de route naar de Merrick, een berg in de Range of the Awfull Hand, welke een deelgebied van de Galloway Hill-reeks is. De top is 843 meter hoog, en is daarmee de hoogste berg in de zuidelijke hooglanden van Schotland. Het is een oneven pad met veel stenen, waarlangs veel water loopt, gezien ook de grote hoeveelheid regen van afgelopen nacht. We klimmen een steil stuk door een naaldbos. Links van het pad heeft grootschalige houtkap plaatsgevonden. Diepe bandensporen lopen langs de heuvel. De overgebleven stronken steken als grafstenen uit de grond. Het is doodstil, en zelfs de vogels leggen er het zwijgen toe. We laten het gehavende bos achter ons en klimmen nog hoger. Kale heuveltoppen zijn rondom ons te zien met daartussenin in meren als kommetjes water. De bewolking hangt laag en raakt hier en daar de toppen van de heuvels. Na een laatste steile klim over gladde stenen en drassig gras denk ik de top van de Merrick te hebben bereikt, maar dan zie ik het pad naar de volgende nog hoger gelegen berg lopen. Ik kijk op mijn kaart en zie dat we op de top van de Benyellary van 719 meter hoog staan. We moeten nog ruim honderd meter hoger. Ik kreun inwendig, want we lopen al een paar uur en de donkere bewolking geeft aan dat er weer regen op komst is. ‘Nog een klein stukje,’ zeg ik tegen de honden. ‘We zijn er bijna.’ We lopen eerst weer een stuk naar beneden van de Benyellary, om daarna weer te steigen op de Merrick. De top is in zicht wanneer het begint te regenen. Ik trek mijn poncho aan en loop verder. Nog geen tien minuten later begint het te hagelen. Moran probeert zich te verstoppen onder mijn poncho, en Mika kijkt me smekend aan terwijl het water langs zijn oren druipt. ‘Oké, we stoppen.’ Hoewel we nog maar een kwartiertje lopen van de top zijn, wil ik niet dat de honden eronder lijden. Het moet leuk voor ze blijven. Met grote passen glibber ik langs het pad naar beneden. Een halfuurtje later komt de zon weer tevoorschijn, en ik kijk achterom naar de Merrick. De top is nog steeds onzichtbaar in de donkergrijze wolken. Terug bij de bus wrijf ik de honden droog met een handdoek, en leg mijn natte kleding te drogen over de voorstoel. Daarna kijk ik naar de door de regen doorweekte mensen, die van de berg afkomen, terwijl ik in mijn droge huisje geniet van een bord warme pap.