Ik parkeer de bus onder een stel grote bomen op Cocking Hill. Ik stap uit en kijk op het bord dat aan de rand van de parkeerplaats staat. Ik kan het bijna niet geloven, maar we staan precies bij waar de lange afstandsroute South Downs doorheen loopt. ‘Mooier kunnen we het niet treffen,’ zeg ik tegen de honden.
Een paar uur later lopen we met een stevige pas vanaf Cocking Hill omhoog op de South Downs route richting het westen. Met elke stap die ik neem voel ik meer energie door mijn lichaam stromen. Hoe hoger we komen, hoe weidser de uitzichten en hoe groter mijn geluksgevoel. In de verte is te zien hoe het pad over de heuvels kronkelt, als een meanderend riviertje dat sierlijke lussen door het groen trekt. Mika en Moran lopen aan de heupriem voor mij uit. Mika neemt lichte gracieuze pasjes als een balletdanser, terwijl Moran als een potige bouwvakker voor me uit stampt. De kruidige geur van de bloemen langs het pad waait mee met de wind omhoog. We hebben het geluid van het autoverkeer ver achter ons gelaten en we horen nu alleen nog maar de vogels en het ruisen van de wind door het lange gras. De vogels vliegen luid kwetterend op wanneer we passeren. ‘We gaan nog even kijken wat er achter de volgende heuvel is, en dan keren we terug,’ zeg ik na ruim een uur lopen tegen de honden. Boven aangekomen zien we dat het pad omlaag het bos inloopt. De lucht wordt donker en de wind neemt toe. ‘Nu gaan we echt terug voordat het gaat regenen.’ Met tegenzin keren de honden zich om. De donkere lucht volgt ons op de voet en de wind duwt ons de heuvel af. Vlak voordat we bij de bus zijn vallen de eerste regendruppels. Het is gelukkig maar een zacht voorjaarsbuitje, en ik laat de schuifdeur op een kier staan, zodat we nog even kunnen genieten van de ondergaande zon, die met haar laatste stralen de bus inschijnt.
We kijken uit over een lappendeken van wel vijftig tinten groen. De lichtgroene graslanden worden afgewisseld met het donkergroene gebladerte van de bomen. Hun kruinen deinen zachtjes op en neer in de wind. Kleine karrensporen lopen door het glooiende landschap, en hier en daar is een boerderij te zien. Deze worden omringd door de typische Engelse tuinen met hoge heggen en een grote variëteit aan planten en bloemen. Het is alsof ik een kijkje neem in het decor van The Secret Garden. Ik loop samen met Mika en Moran een stuk van de North Downs Way door Kings Wood. De zon schijnt en er waait een zacht windje. Marte ligt te slapen in de bus, die in de schaduw van een grote eik aan de rand van het dorpje Chilham in het graafschap Kent staat. Het is een parkeerplaats met openbare toiletten, waar je een nachtje mag staan. Op de terugweg lopen we dwars over het marktplein van Chilham met aan de linkerkant het kasteel van Chilham en rechts de vijftieneeuwse parochiekerk gewijd aan de heilige Maria. Met al die oude gebouwen is het net alsof we een historisch roman binnenlopen.
Ik maak samen met Mika en Moran een wandeling dwars door Wrabness Nature Reserve richting de Noordzeekust. Het is halverwege mei en alles staat in volle bloei. Aan weerskanten van de kleine bospaden groeit weelderig fluitenkruid tussen de lange grassen. Al snel zien we het blauw van de Noordzee. Ik vervolg het pad over zand en kiezelstenen. Kleine houten huizen, veelal gebouwd op palen, zijn tegen de zanderige klifwand aangebouwd. Er tegenover liggen talloze bootjes in het water. Moran rent hard door het opspetterende water, terwijl Mika liever de kant van de huizen inspecteert. Ik volg een deel van het kustpad en loop daarna via een klein gehuchtje weer terug naar de bus.
‘Wij zijn de eersten,’ zeg ik vrolijk tegen de honden, terwijl ik de bus bij de ingang van de ferry terminal bij Hoek van Holland indraai. Ik rijd langzaam over een leeg terrein en ergens bekruipt mij het gevoel dat er iets niet klopt. Vanuit een loket zie ik in ene een arm driftig gebaren. ‘We gaan net sluiten,’ roept de vrouw vanachter het loketglas. ‘Maar we konden toch vanaf half twee inchecken,’ zeg ik verbaasd. ‘Nee, vanaf twaalf uur. Om half twee sluiten we en kunt u niet meer aan boord.’ Ik kijk op mijn horloge en zie dat het al een paar minuten na half twee is. Met een enorme snelheid voert de vrouw in het loket mijn gegevens in. Daarna rijd ik als laatste over de ratelende brug het schip in. Ik laat de honden achter in de bus en neem de lift naar de negende etage van de dertien etages. Er bevinden zich diverse restaurants, cafés, winkels en zelfs een klein casino aan boord. Ik loop een beetje verdwaasd rond en verbaas me altijd weer over de enorme grootte van zo’n schip. Ik kijk uit over de reling en zie Hoek van Holland langzaam uit het zicht verdwijnen. Eindelijk zijn we dan weer op reis. Ik voel de spanning en tegelijkertijd ontspanning van het avontuur dat we tegemoet gaan.
Het afgelopen half jaar heb ik overwinterd in een klein bakhuisje aan de rand van de Veluwe. De bus is gerepareerd en heeft een nieuwe koppeling. De oude Marte heeft nieuwe medicijnen gekregen, die haar veel verlichting brengen voor haar artrose. En ons gezinnetje is uitgebreid met een assielhondje uit Rusland genaamd Moran. Ze is inmiddels alweer een jaar oud.
Ik zit op een houten bankje buiten op het dek. De wind is koud, maar de zon verwarmt mijn rug. Het geluid van de motor dreunt diep door tot in het binnenste van mijn lichaam. Grote witte rookpluimen komen uit de vier schoorstenen, die ver boven het schip uit tornen en een grijze sliert in de verte achterlaten. Kleine golfjes zijn te zien zover het oog reikt. Regelmatig passeren we andere grote schepen. Het is niet bepaald rustig op de Noordzee.
Na ruim zes uur komen we aan in Harwich. De honden zijn opgelucht om mij weer te zien. ‘Wat komt u hier doen en waarom heeft u geen retourticket?, vraagt de vrouw van de douane. ‘Ik wil rondreizen door Engeland en zal uiterlijk eind juni terug moeten zijn op mijn werk.’ De vrouw knikt gerustgesteld. Ik heb inmiddels geleerd om concreet te zijn en te benoemen dat ik een huis en baan heb. Dat soort zekerheden geeft de ander een beter gevoel.
Via de park4night app vind ik een parkeerplek bij Wrabness Nature Reserve. Het is een kwartiertje rijden. Daar aangekomen parkeer ik de bus langs de rand onder de bomen en open de schuifdeur. De honden buitelen naar buiten en rennen vrolijk rond. We lopen een klein stukje over een onverhard pad. Aan weerskanten is een laag glooiend landschap te zien. De bomen van Wrabness tekenen zich donker af tegen de geeloranje gloed van de ondergaande zon. Ik ben benieuwd of Engeland mij gaat bevallen en of ik weer die vrijheid kan gaan voelen.
Met het starten van de bus licht het lampje met de foutmelding weer op, maar gaat uit op het moment dat ik schakel. Ik rijd de weg naar Rovaniemi aan een stuk door. Ik durf niet te stoppen uit angst dat de versnellingsbak weer rare kuren begint te vertonen. ‘Sorry jongens, maar het is even niet anders,’ zeg ik tegen de honden. Marte ligt te snurken in haar mand en Mika ligt languit op bed. Ik geloof niet dat ze het heel erg vinden. De avond ervoor heb ik nog met Mika twee uur over de fjells bij Nourgam gelopen, dus een dagje wat minder moet kunnen.
Om kwart voor vijf in de middag loop ik een mooie garage binnen. Alles ziet er schoon en opgeruimd uit. Het is er doodstil. Achter een hoge balie ontdek ik een man. Ik leg uit dat we al eerder contact hebben gehad over mijn bus en dat er mogelijk een nieuwe pomp moet worden geplaatst. ‘Over twee weken kan onze Renault monteur kijken wat het probleem is. Het bestellen van een nieuwe pomp kost drie tot vijf weken levertijd,’ zegt de man van de garage. Ik kijk hem ontsteld aan. ‘Ik kan hier geen twee weken wachten op een eerste diagnose, en dan misschien nog eens vijf weken voor een reparatie. Kunt u de boel eerst niet eens resetten, dat kost hooguit een kwartiertje.’ ‘Nee, helaas.’ De man is onvermurwbaar. Opeens gaan de lichten uit en zitten we in het halfdonker. ‘Het is vijf uur,’ verklaart de man. Zijn collega, die de lichten heeft uitgedaan, staat bij de deur te wachten. Met drie adressen van andere garagebedrijven op zak, loop ik de mooi opgeruimde garage weer uit.
Via de park4night app vind ik een parkeerplaatsje aan het meer Norvajarvi. Ik loop met de honden een halve kilometer door een bos, todat we uitkomen op een strandje aan het meer. Aan de linkerkant ligt een soort monument met een kerkhof voor Duitse soldaten, verscholen tussen de bomen. Het enige geluid dat we horen, is de wind over de toppen van de sparren. Het voelt heel vredig.
‘Yes, no problem, you can sit and wait here,’ zegt de man van de tweede garage vriendelijk, waar ik de volgende ochtend probeer om iemand te laten kijken naar mijn bus. Opgelucht ga ik zitten. Dat valt gelukkig nog mee. Een halfuurtje later staat de man weer voor me. ‘Not fix your car.’ Ik kijk hem nietbegrijpend aan. ‘Not fix your car,’ herhaalt hij nogmaals. ‘But half an hour ago you said that you would look at it,’ zeg ik met verbazing. ‘Not fix your car,’ herhaalt de man nog meerdere keren op boze toon. Zwijgend pak ik mijn tas en loop langs hem heen zonder nog iets te zeggen.
Ik rijd die ochtend langs nog vijf andere garages, maar de eerste afspraak om naar de bus te kijken kan pas over twee weken. Ik overleg nog meerdere keren telefonisch met de ANWB Pechhulp en ik bel met Renault Nederland om te kijken of bepaalde onderdelen versneld geleverd kunnen worden. Ik word uiterst vriendelijk te woord gestaan, maar geen van beiden kan iets doen zolang de garages zeggen geen tijd te hebben. ‘De traagheid van de Scandinavische landen hieromtrent is ons bekend,’ zegt de medewerker van de ANWB. Fijn, die relaxte mentaliteit, maar nu komt het me even niet uit. Ik weeg mijn opties tegen elkaar af. Ik kan gaan zitten wachten, maar wekenlang met de honden in een warme, drukke stad, lijkt me niet prettig. Ik kan de bus laten verslepen naar Nederland, maar dan moet ik samen met de honden mijn weg terug naar Nederland zien te vinden met het openbaar vervoer of met het vliegtuig. Ook dat zie ik niet zitten met een oude hond, zoals Marte. En trouwens, ik heb geen huis om naar toe te gaan. Ik zou dan bij vrienden moeten bivakkeren. Ons hele huishouden ligt in de bus, dus we zullen behoorlijk onthand zijn. Voor het eerst dreigen we de veiligheid van ons huisje kwijt te raken, en dat komt hard aan. Ik wil altijd alles zelf oplossen. Dat wordt ons toch ook ingeprent, het nemen van eigen verantwoordelijkheid. Maar is het zo erg om om hulp te vragen? Is het een teken van zwakte of van onjuiste keuzes die je maakt in het leven, wanneer je om hulp vraagt?
Uiteindelijk kies ik ervoor om toch te proberen met de bus terug te rijden naar Nederland. Geen van de garagebedrijven durft te zeggen of het doorrijden met een brandend lampje schade aan de bus kan geven. Ik waag het er maar op. Doodmoe van al dat rijden door een drukke stad, het zoeken naar de verschillende garagebedrijven, de gesprekken en de teleurstelling van dat het niet gaat zoals ik gehoopt had, rijd ik binnen een paar uur de grens van Zweden weer over. Aan de Finse kant wordt streng gecontroleerd, en aan de Zweedse kant staat helemaal niemand. Ik rijd zo door en vind een plekje tussen wat andere campers in Renholmen. We kijken in stilte uit over de Botnische Golf.
Ik slaap van zes tot tien uur ’s avonds met de schuifdeur open en met de honden vast aan een lange lijn. Soms voelt een plek zo goed, dat ik deze vrijheid neem. Een zacht windje komt de bus in, en de zingende vogels en de ritselende blaadjes zijn voor mij de beste geluiden om bij in slaap te vallen.
Om half twaalf dezelfde avond rijd ik weer verder. Het blijft toch de hele nacht licht en in de koelte en de stilte vind ik het heerlijk om te rijden. Om half drie ’s nachts parkeer ik de bus op een parkeerplaats net voor Nordmaling en ga meteen slapen.
De volgende ochtend ontdek ik dat we toevallig op de parkeerplaats aan de rand van het Torsmyran Naturreservat staan. We maken een korte wandeling over een houten brug van 130 meter lang, die over het moeras is gebouwd. Marte en Mika lopen al snel op het natte mos, en zinken met hun poten diep weg in de zachte vegetatie. Dat is lekker verkoelend, voordat ze weer de bus inspringen.
We rijden weer een flink stuk over de E4 aan de oostkant van Zweden. Richting Sundvall wordt het meer heuvelachtiger en grote rotswanden tekenen zich af langs de weg. Prachtige oude dennenbomen en laag gedrapeerde sparrenmoerassen laten het oerbos van Bjornlandets Nationalpark zien. Even verderop zijn schitterende uitzichten op de bergen en valleien van sparrenbossen, meren en de zee. Skulesogen Nationalpark is een toeristische trekpleister, want de parkeerplaatsen bij de ingangen van het park staan vol met auto’s en campers. Dat is voor mij al een reden om door te rijden. De vakantietijd is begonnen, en dat is nu duidelijk te merken.
Na zes uur rijden vind ik een plekje aan het meer Langsjon bij Bjorklinge. De camping is druk bezet, maar aan de andere kant is parkeergelegenheid op een groot grasveld, waar ik met een andere camper sta. We hebben alle ruimte, en Marte en Mika rollen in het versgemaaide gras.
Ik was van plan om weer ’s nachts te rijden, maar ik heb vannacht heerlijk geslapen. De schuifdeur stond weer open, en een heerlijk verkoelend briesje waaide de bus in. De temperatuur is rond de twintig graden. De zwermen muggen zijn verdwenen.
We maken een wandeling langs het meer. Daarna eten we in alle rust ons ontbijt. Om tien uur vetrekken we en al snel rijden we door de breedte van Zuid-Zweden. Halverwege de rit rijden we langs het Vattermeer, het op een na grootste meer van Zweden. Het water is helderblauw en de oevers wisselen af tussen plaatselijk zeer steil en kleine zandstrandjes. Aan het einde van de middag stoppen we bij Rastplats Sjoboda. We maken een wandeling langs rivier Lagan, die op sommige punten zo breed is dat het bijna op een meer lijkt. Ik kook een potje spaghetti met vis en groente, en daarna slapen we voor een paar uurtjes. Om tien uur ’s avonds rijden we weer verder. Het wordt steeds donkerder, en ik realiseer me dat na twee maanden alleen maar met daglicht te hebben geleefd, we nu weer aan het donker van de nacht moeten wennen. Naarmate we in de meer bewoonde gebieden van Malmo en omgeving komen, wordt het steeds drukker op de weg. Auto’s rijden hard langs ons heen. Het voelt niet prettig en ik besluit om even voor middernacht een slaapplek te zoeken. Ik draai een rastplats op en kom temidden van hotels, fastfoodrestaurants en kantoorgebouwen te staan. Ik rijd een stukje door naar een 24uurs plek op de parkeerplaats van McDonalds. ‘Dat ik hier nog eens zou eindigen,’ zeg ik tegen Marte en Mika, die met verwondering naar alle flitsende lichtreclames om zich heen kijken. ‘Even geen bergen meer.’ Ik sluit de gordijnen, kleed me snel uit, poets mijn tanden en ga naast Mika in bed liggen. We luisteren naar de geluiden om ons heen. Er rijden auto’s af en aan en er klinkt gepraat van mensen. Een brommer rijdt met grote snelheid rondjes over het parkeerterrein. Met piepende remmen hoor ik hem rakelings langs de bus rijden. Mika gromt. Ik kijk onder het gordijntje van de achterdeur door en lees op een bord dat het een 24-uurs McDonalds betreft. Mensen komen hier zelfs midden in de nacht om te eten. ‘Probeer maar wat te slapen,’ zeg ik sussend tegen Mika. Nog een tijdje voel ik dat Mika zijn kop beweegt bij elk geluid. De geluiden van de wind, de vogels en het water zijn vervangen door dat van auto’s, mensen en de 24-uurs economie van McDonalds. Langzaam zakt de zware kop van Mika op mijn benen. Hij heeft zich er – letterlijk en figuurlijk – bij neergelegd.
De volgende ochtend zijn we al vroeg wakker. Ik kleed me weer snel aan en open de gordijnen. Ik zie mensen met hamburgers, patat en milkshakes over de parkeerplaats lopen. ‘We rijden even door en gaan straks ontbijten,’ zeg ik tegen Marte en Mika, die gelukkig gewoon blijven liggen alsof ze snappen dat we hier geen poot buiten de deur zetten. We draaien de weg weer op en nog geen kwartiertje later rijden we over de Oresundbrug de grens over naar Denemarken. Behalve het betalen van de tol zijn er geen grenscontroles. Om half zes in de ochtend is Covid zeker nog niet actief. Vier uurtjes later ontbijten we vlak voor de grens van Duitsland. Ik koop twee met kaas-ham belegde broodjes bij het tankstation en deel deze met Marte en Mika. Een kleine traktatie omdat we al bijna vijf dagen onafgebroken in de bus reizen, die het nog steeds doet, en we over vier uurtjes weer in Nederland zijn.
Helaas hebben we die laatste rit ruim drie uur vertraging vanwege allerlei wegwerkzaamheden in Duitsland. Uitgeput draai ik de bus achter de schuur bij vriendin Jenny in Heerde. Het voelt onwerkelijk om weer terug in Nederland te zijn. Ons hart ligt nog bij de poorten van Lapland. De komende dagen zullen we moeten acclimatiseren, en gaan kijken wat de toekomst ons in ons nomadenbestaan brengt.
Ik rijd dwars door het gebied Norrbottens richting de Finse grens in het oosten. Urenlang door heuvelachtig gebied en naaldbossen. Het is veel warmer dan de afgelopen dagen, rond de twintig graden. Wanneer we even pauzeren worden we geteisterd door vliegen, muggen en wespen. Snel rijden we weer door met de airco op hoog. Met wat spanning rijd ik de brug op over rivier Sverige, maar ik mag zonder PCR-test de grens over naar Finland. Aangezien ik op doorreis naar Noorwegen ben, adviseert de grenswacht dat ik daar een test laat uitvoeren.
We pauzeren voor een paar uur aan een meer bij Savustamo. Er staan wat picknicktafels, een toilethuisje en bij het meer zijn wat kleine zandstrandjes om te zwemmen. Marte en Mika stappen meteen het water in en zwemmen kleine rondjes. Aan de overkant van het water ligt Zweden. Er stopt nog een auto en een jong gezin stapt uit om te picknicken. Dit is voor het eerst dat ik de Finse taal hoor. Het klinkt heel anders dan het Zweeds. Van de Zweedse taal kan ik nog wel wat woorden van Germaanse komaf ontwaren, maar Fins klinkt als een compleet andere taal.
Rond een uur of negen in de avond schijnt de zon nog steeds fel op de bus. Ik word chagrijnig van de warmte en van de kleine zandvliegen en muggen, die continu om ons heen zwermen. Ik besluit om het laatste uur naar het natuurgebied Pallas-Yllastunturin ook maar te rijden. De airco biedt ons een heerlijke koelte tijdens het rit. Er staan een paar auto’s en campers op het grote parkeerterrein een paar honderd meter voor het Pallastunturi bezoekerscentrum. Hier brengen we de nacht door.
We worden de volgende ochtend wakker met het getjilp van de vogels rondom de bus. De zon schijnt en er is geen wolkje aan de lucht. Het wordt weer een warme dag. Dat is jammer, want dan kunnen Mika en ik geen lange wandelingen maken. We laten Marte niet achter in een warme bus.
We lopen met z’n drieën naar het bezoekerscentrum. Deze ligt rechts van het Lapland Hotel, die een nogal verweerde indruk maakt. De verf heeft op veel plekken op het hout losgelaten, de kozijnen zijn kromgetrokken en de gordijnen hangen er een beetje verbleekt bij. Het zullen de zware weersomstandigheden zijn, van zware ijzige winters naar een felle zon tijdens de zomermaanden. Op de bordjes worden de routes goed aangegeven. Het bezoekerscentrum toont een kleine collectie aan opgezette dieren, en in een apart handboekje wordt uitleg in de Engelse taal gegeven. Marte en Mika beginnen te blaffen en ik loop het bezoekerscentrum uit om te kijken wat er aan de hand is. Er lopen drie rendieren over het parkeerterrein. Met een scheve blik kijken ze naar de honden, maar ze lopen toch door naar de overkant en verdwijnen tussen de bomen.
We rijden op de 957 langs de lengte van het Pallas natuurgebied, bijna honderd kilometer aan een keten van bergruggen, grotendeels bedekt met bergtoendra. Daarna maken we een oversteek naar het oosten van het land, waar het Urho Kekkosen Nationaalpark tegen de grens van Rusland ligt. Na viereneenhalf uur rijden parkeer ik de bus op een kaal parkeerplaatsje in de buurt van Kakslauttanen. We lopen een kort stukje van de Ruijan polku door het sparrenbos, maar de grote hordes muggen zorgen ervoor dat we ons alweer snel verbergen achter het muggengordijn van de bus.
Het is nog vroeg in de ochtend wanneer ik de bus in de schaduw van de bomen parkeer en met Mika de Luulampi route loop. We lopen over zachthellende middenhoogvlakten en door mosachtige sparrenbossen. De route is goed aangegeven met kleine bruine bordjes en de paden zijn breed. Het zijn toevallig vrij warme dagen deze week in Finland, maar gelukkig valt het zo vroeg in de ochtend nog mee met de hoeveelheid muggen. Mika loopt weer vrolijk voor mij uit en samen turen we uit over de talloze ronde bergruggen, die in een blauwgrijze waas in de verte te zien zijn. Na tweeëneenhalf uur zijn we terug bij de bus. Het is inmiddels een stuk drukker geworden op de parkeerplaats. De Urho Kekkosen trekt veel toeristen. Het zijn voornamelijk de Finnen, en heel af en toe zie ik een camper met een Duits kenteken. De Finnen lijken iets minder toegankelijk dan de Zweedse mensen. Daar had ik nog wel eens leuk en spontaan contact, maar in Finland blijft het allemaal wat afstandelijker en lijk ik weer iets meer op mezelf te zijn aangewezen.
Het parkeerplaatsje diep weggestopt in Lemmenjoki Nationalpark is een verademing. De bomen aan de zijkant bieden schaduw tijdens deze warme dagen. Er staat een toilethuisje en een grote bruine vuilcontainer. Vanaf deze parkeerplaats starten veel wandelroutes, grote en kleine. Samen met de honden loop ik de Muurahhaislampi route van nog geen kilometer naar een klein meertje, of eigenlijk een aftakking van de rivier Lemmennoki, die dwars door het natuurgebied loopt en zijn naam aan heeft te danken. Marte en Mika plonsen luidruchtig door het water.
De volgende ochtend schijnt de zon om zes uur alweer op de voorkant van de bus. Het warmt snel op. Een halfuurtje later lopen we de Luontopolku route door het koele bos, een rondwandeling van vier kilometer. Het diepgroene sparrenbos doet bijna sprookjesachtig aan. De zon werpt lange schaduwen over de bemoste bosgronden, met daartussen verscholen kleine meertjes en meanderende beekjes. De stilte wordt alleen onderbroken door lichte vogelgeluiden en het gezoem van talloze insecten. De geur van het kruidige hars verspreid zich op het verkoelende windje dat tussen de bomen doorwaait. Marte en Mika lopen met lichte tred over het smalle paadje, dat door het bos heen kronkelt.
Het blijft de hele dag erg warm, te warm om te lopen en zeker te warm om in de bus te zijn. We zitten in de schaduw van de bomen, en ik probeer een boek te lezen, terwijl ik met een theedoek de vliegen en muggen van ons af sla.
Rond een uur of half acht in de avond, koelt het wat af. Ik laat Marte achter in de bus met de schuifdeur op een kier en het muggengordijn ervoor. Ik doe het niet graag, maar deze plek voelt redelijk veilig, en Mika en ik hebben er beiden behoefte aan om te lopen. Mika moet zijn energie kwijt na een hele dag liggen slapen, en ik moet de spanning eruit lopen. Deze middag ontdekte ik dat de huishoudaccu het niet meer doet, en dat maakt dat ik wat aanpassingen moet doen en mijn telefoon wat minder kan gebruiken. Ik heb een korte broek en t-shirt aan, iets wat ik zelden draag in de natuur. Meestal heb ik een lange broek en iets met lange mouwen aan in het bos, vanwege alle insecten en stekelige planten. Maar omdat het toch nog warm klammig is, spuit ik mijn armen, benen, nek, gezicht en zelfs mijn schoenen helemaal onder met insectenspray. Het lijkt ze op afstand te houden. We lopen de Joekielinen route van zestien kilometer. Het eerste stuk lopen we over een klein paadje door het bos. Het voelt onwerkelijk om zo alleen in de avond door een bos in een groot natuurgebied te lopen. Ik ben extra alert op het volgen van de bordjes. Het zou toch heel vervelend zijn om hier in een groot bos te verdwalen. De laatste tweeënhalf kilometer klimmen we omhoog. Bovenop de Joenkielinen, van net boven de 500 meter hoog, hebben we een mooi uitzicht op de omringende bergen. De terugweg lopen we over het Kultareitti pad, zo genoemd omdat hier een eeuw geleden goud uit rivier Lemmenjoki werd gedelfd. Vier uur later, om half twaalf ’s avonds, zijn we terug bij de bus. De zon schijnt nog steeds laag over de bomen heen. Marte springt blij de bus uit en glijdt prompt uit over het bruggetje. Even later zit ze sipjes in de bus voor zich uit te kijken met een dikke lip en een pijnlijke voorpoot. ‘Verdorie,’ denk ik, ‘het zit ons even niet mee.’
De volgende ochtend wekt de warmte van de zon ons al om zes uur, en we lopen nogmaals de Luontopolku route. Marte lijkt gelukkig geen last meer van haar pootje te hebben en haar dikke lip is geslonken. Ze loopt weer vrolijk mee. Ik heb geen eetlust, dus zonder te ontbijten, rijden we om acht uur het Lemmenjoki Nationalpark weer uit. Tijdens de wandeling van de vorige avond had ik bedacht dat ik mijn telefoon en tablet mogelijk ook op de accu van mijn bus kan opladen tijdens het rijden. Dit blijkt inderdaad het geval te zijn. Met enige opluchting rijd ik verder. ‘Oke, de huishoudaccu doet het niet, maar zolang ik met de bus rijd, kan ik toch tenminste mijn telefoon opladen.’ Ik kom op de weg regelmatig van die hele oude aftandse campers tegen. ‘Als die oude barrels het nog doen, dan moet die van mij het toch ook nog even blijven volhouden.’
De E 75-4 weg loopt tussen de meest prachtige gebieden heen. Aan de linkerkant is het Muotkatunturin natuurreservaat met een viertal bergkammen, riviervalleien en uitgestrekte moerassen. Net zoals bij een stel andere reservaten, heeft ook dit gebied geen openbare toegangsweg. Dat geeft het rijden langs dit soort natuur een nog meer desolaat gevoel. Vervolgens is aan de rechterkant het Kaldoaivi Nationalpark, die zich uitstrekt tot in Noorwegen. Ook hier zijn weer geen wegen te vinden. Aan de linkerkant, boven het Muotkatunturin reservaat ligt het Kevo Nationalpark, bestaande uit de Kevojokj canyon van 40 kilometer lang en 80 meter diep. Er lopen twee gemarkeerde routes door het gebied, en ik besluit net voorbij Kenestupa te stoppen om een klein stukje van de Genesjavri te lopen. Al naar een kwartiertje keren we terug naar de bus. Het is te warm om te lopen voor de honden, en ook hier stikt het van de muggen.
Ik start de bus en zie tot mijn schrik dat er een lampje op mijn dashboard brandt. ‘Dit kan niet waar zijn.’ De bus gaat niet in z’n automaat en het lukt niet om te schakelen. Met trillende handen blader ik de handleiding van de bus door. Ik vind het symbooltje en lees dat er iets mis is met de versnelingsbak. Ik zet de motor uit en zit verslagen achter het stuur. ‘Nu weet ik het echt even niet meer.’ Na even zo gezeten te hebben, probeer ik het nog een keer en start de bus. Het lampje brandt, maar gaat daarna uit en schakelen lukt weer. ‘Mischien was ‘ie even in de war,’ hoop ik tegen beter weten in. Met een knoop in mijn maag rijd ik naar de camping in Utsjoki. Daar aangekomen stel ik altijd een paar standaard vragen over de aanwezigheid van faciliteiten, zoals WiFi, wasmachine en douches. Volgens de eigenaar van de camping mag de wasmachine niet worden gebruikt vanwege Corona. Tegen beter weten in, maar omdat ik al onder spanning sta vanwege alle tegenslagen, ga ik in discussie. ‘Hoezo?, kan ik Corona krijgen van de wasmachine?’ Er komt een ingewikkelde uitleg, en ja, ‘de WiFi doet het ook niet, en de grens naar Noorwegen is hier gesloten. Daarvoor moet u nog verder rijden naar Nourgam.’ Ik bedank hem vriendelijk en zeg dat ik daar een camping opzoek. Ik start de bus en deze wil weer niet in de automaat. Het lampje brandt weer. Uiteindelijk, na diverse pogingen, lukt het. Maar ik weet nu dat er echt iets mis is met de bus. De kapotte huishoudaccu lijkt niet zo belangrijk meer. ‘Die bus moet gewoon goed rijden.’ Veertig kilometer verder stop ik bij Camping Holiday Village. Deze ziet er een stuk beter uit, dan die in Utsjoki, maar is dan ook meteen een stuk duurder. Dertig euro voor een plek en acht euro voor gebruik van de wasmachine. Ik kruip weer achter het stuur om naar de voor mij aangewezen plek te rijden. De bus wil niet meer starten. Ik probeer het wel een keer of tien, maar er komt geen geluid meer uit. De zon schijnt fel op de bus, en het wordt steeds warmer. Ik kan de honden zo niet laten zitten. Er zit niets anders op dan een cabin te boeken. De goedkoopste kost 65 euro per nacht. Snel haal ik de honden uit de bus en loop naar cabin 28. Deze is gemaakt van boomstammen, met in het midden een lage deur, waar ik met mijn 1.68 meter net onderdoor kan. Aan de linkerkant staan twee stapelbedden. Aan de rechterkant een kleine keukenopstelling met een koelkast, twee elektrische kookplaatjee, magnetron en wat pannen, borden en bestek. Verder is er een televisie, kachel en zelfs een ventilator, die ik meteen op hoog aanzet. Marte en Mika gaan op de houten vloerplanken liggen, terwijl ik de bus uitpak. ‘Ik heb altijd al eens in zo’n cabin willen slapen. En nu doe ik het,’ zeg ik tegen ze. Ik draai een was in de wasmachine en neem, na een maand, eindelijk weer eens een douche. De campingeigenaar komt ook nog even naar de bus kijken, en zo waar start deze weer, maar de foutmelding blijft staan. Ik besluit om morgen naar de dichtsbijzijnde garage te gaan. ‘Misschien moet de bus alleen gereset worden,’ hoop ik. Die avond kijk ik voor het eerst sinds vijf maanden televisie. De laatste keer was in dat luxe appartement in Portimao, Portugal. Ik kijk naar een oude James Bond film, een beetje bloederig, maar het leidt in ieder geval een beetje af.
Om negen uur de volgende ochtend sta ik al bij de garage in Nourgam, en ik word gelukkig meteen geholpen. Al snel blijkt dat ik een nieuwe triptonic pomp nodig heb. De garage eigenaar zegt dat hij niet de kennis heeft om een nieuwe triptonic pomp bij een Renault te plaatsen. Daarvoor moet ik naar Rovaniemi, een stad, iets meer dan 500 kilometer richting het zuiden. Even moet ik slikken. Ik had me zo verheugd op het volgende stuk reizen door het hoge noorden van Noorwegen. De grenzen lijken nu eindelijk weer open te gaan, en ik had hier speciaal op gewacht. Maar het is niet anders, ik durf niet met een kapotte pomp verder te rijden. Volgens de garage eigenaar kan ik in een rustig tempo richting Rovaniemi rijden. Mocht de bus er onderweg mee ophouden, dan moet ik maar een sleepbedrijf bellen. Ik keer terug naar de camping, waar Marte en Mika relaxed in een koele cabin liggen. Vanaf woensdagavond daalt de temperatuur en gaat het zelfs een beetje regenen. Dat is voor de honden wel zo prettig, maar voor nu brengen we nog een nachtje in de cabin door. Ik heb weinig eetlust en een beetje buikpijn van alle stress. ‘Maar…,’ schreef een mede-nomade, die ik in een van de Zweedse natuurparken had ontmoet, ‘Shit happens, er is altijd wel weer een oplossing, en wie weet wat dit nieuwe avontuur je weer allemaal brengt.’
We hebben twee dagen in Nikkaluokta doorgebracht. Daar hebben we een lange wandeltocht gemaakt naar Kebnekaise fjallstation. Het pad liep vooral door beboste delen langs rivier Laddjujavri. De Kebnekaise is een dubbeltoppige berg, waarvan de zuidelijke top het hoogste punt van Zweden is. Maar omdat deze bestaat uit een gletsjer, varieert de hoogte ervan nog wel eens. Deze is in ieder geval rond de 2100 meter hoog. Het Kebnekaise bergstation is vanaf Nikkaluokta 19 kilometer lopen, en bevindt zich aan de voet van de berg. Het is een populaire route, en we kwamen dan ook heel wat mensen tegen.
De weg vanaf Kiruna naar Abisko is een feest. De meest prachtige berglandschappen zijn te zien aan de overkant van het meer Tornetrask. Maar ook aan de zuidelijke kant richting Nikkaluokta herrijst de ene naar de andere besneeuwde bergtop. Ik rij bijna van de weg af, zo druk ben ik met het kijken om me heen. Een paar kilometer voorbij Abisko parkeer ik de bus bij het fjallstation. Net als in Nikkaluokta heeft het een vrij toeristische setting, met het verschil dat hier meerdere routes zijn uitgezet. Dat maakt dat de mensendrukte een beetje wordt verspreid. Ik kies voor het parkeerterrein achter het stationnetje, waar om de paar uur een trein stopt en hordes mensen, wankelend en gebukt onder grote zware rugzakken, uitstappen om de Kungsleden track te starten.
Vanaf het parkeerterrein loopt de Njakajaure route meteen omhoog het Abisko Nationalpark in. Samen met Marte en Mika klimmen we een klein stukje omhoog, met zicht op de prachtige bergketen Cuonjavaggi, oftewel ‘the gateway to Lapland,’ zoals het ook wel wordt genoemd. We lopen over een bergrug, waar de grond bevroren is, permafrost.
In de avond lopen we de Kanjon route, over deels aangelegde houten planken en loopbruggen. Metershoge rotskliffen tornen uit boven het snelstromende water. Voorzichtig kijken Marte en Mika met een schuin oog over de randen van de kloof heen. Daarna lopen we door naar het meer Tornetrask. De bewolking, tesamen met het net nog zichtbare reepje zonlicht over de bergen, geeft een dramatisch effect op het water van het meer.
De volgende ochtend brengen we een bezoek aan een Sami Camp, op een paar honderd meter afstand van het parkeerterrein. Marte en Mika snuffelen rond de verschillende kampementen, terwijl ik de informatie op de bordjes lees. De ronde hutten werden gemaakt met een driepoot en rechtopstaande takken, waartegen berkenbast werd geplaatst en daarna besmeerd met kluiten zand, modder en gras.
In de middag maken Mika en ik een langere wandeling. We volgen eerst een stuk van de Kungsleden track. Deze loopt door een vallei langs een grote river. De natuur is afwisselend, met stukken bos, open plekken aan de oever van de rivier en prachtige vergezichten op de bergen. Net voor de tweede hangbrug, pakken we een gemarkeerde sneeuwscooter route, terug richting Abisko. We steken meerdere kleine riviertjes over, totdat we bij de grote river Nissonjohka komen. ‘Oh jee, daar had ik even niet aan gedacht. De sneeuwscooterroutes zijn natuurlijk voor de winter, wanneer alles bevroren is.’ Ik doe mijn schoenen en sokken uit en loop voorzichtig over de stenen naar het water. Mijn schoenen knoop ik met de veters aan mijn rugzak vast. Met een grote tak in elke hand hoop ik mijn balans te houden in het water. De rivier is niet diep. Het water komt tot net onder mijn knieën, maar de stroming is sterk. Ik glibber over de gladde stenen. Het water is zo koud, dat mijn voeten al snel pijnlijk beginnen te steken. Terwijl ik zo rustig mogelijk probeer over te steken, rent Mika minstens vier keer heen en weer, alsof om te zeggen dat het helemaal niet zo moeilijk is. ‘Uitslover.’ Veilig aan de overkant dep ik mijn voeten droog met mijn sokken en trek ze daarna, en mijn schoenen weer aan. Het duurt nog minstens een halfuur voordat het brandende gevoel uit mijn voeten is verdwenen. Ze zijn in ieder geval weer brandschoon.
De volgende dag hangen de donkergrijze wolken laag over de bergen. De wind is ijzig koud en lijkt dwars door ons heen te waaien. Ik trek een extra laag kleding aan en doe mijn muts op. We doorkruisen de Rihtonjira rivier, net onder de grote waterval, en klimmen nog verder naar boven de Njulla berg op. Even lijkt de zon tevoorschijn te komen en zien we de top van de berg, maar al snel verdwijnt deze weer in de wolken. Als lange witte vingers komen slierten wolken tussen de bergpas van de Njulla en de Slattatjakka aankruipen, geruisloos en snel. We worden omsloten door wit en hebben geen enkel zicht meer op onze omgeving. Het voelt alsof we door een stil maanlandschap lopen, waar geluiden worden gedempt door een dikke wollen deken. Alles voelt klammig aan, mijn kleding, gezicht en Mika’s vacht. Pas wanneer we enkele honderden meters naar beneden zijn gelopen, komen de andere bergen weer tevoorschijn, de Cuonjavaggi. ‘Neem maar afscheid van de poorten van Lapland,’ zeg ik tegen Mika, die met een wijze blik uitkijkt over de bergen. Na vier dagen te hebben doorgebracht in het Abisko natuurgebied, ben ik van plan om morgen verder te rijden richting Finland.
Bij de ingang van het Naturum Abisko hangt de vertaling van een gedicht bij Paulus Utsi:
Let the mountain wind caress your cheek Let the rain douse your face Let mountain wind blow clean your heart Come see The Playful Light and the shining Vault of Heaven Come, play with mountain wind Do not fear, Make your journey long Do not fear, The wind shows the way! Let mountain wind caress your cheek Come!
Geknield bij een snel stromend riviertje drink ik het heldere water. Het is ijskoud en proeft bijna alsof het gezoet is. Mika staat met alle vier de pootjes in het water om af te koelen. Er staat weliswaar een fris windje, maar de zon schijnt fel op de bergen. De sneeuw smelt en overal vormen zich kleine waterstroompjes, die hun weg naar beneden vinden.
Vanaf de berghut Vakkotavare zijn Mika en ik de Kungsleden track gevolgd richting de volgende berghut Teusajaure. We zullen de hut niet bereiken, want deze is 17 kilometer lopen, en dat heen en terug redden Mika en ik niet. In drie kwartier klimmen we omhoog uit de vallei, en lopen vervolgens over met stenen bedolven bergplateaus. Rondom ons vormen zich de meest prachtige besneeuwde bergketens, die oneindig lijken door te lopen. Links zien we de Kallaktjakka van ruim 1800 meter hoog en iets verder weg aan de rechterkant is de bijna 1500 meter hoge Nieras. De wolken lijken de toppen van de bergen aan te raken. Een vederlichte aanraking, die de aarde met de lucht verbindt.
Na twee uur lopen, zien we in de verte een een hutje middenin de ruimte van de omliggende bergen. Ik vraag me af hoe ooit is gekozen voor deze plek, en of daar nog iemand woont. Op de terugweg komen we een Zweeds echtpaar tegen, beiden zwoegend met enorme rugzakken op hun rug. Zij blijken de beheerders van de Teusajaure berghut te zijn. Zij zijn op weg om de hut voor dit seizoen te openen. Zij doen dit, en het onderhoud ervan, op vrijwillige basis. De hut ligt aan de overkant van het meer. Zij halen de wandelaars op in een bootje. Ik vraag hen naar het hutje, temidden van al die bergen. Het blijkt een hut van de Sami te zijn, die het in de zomertijd gebruiken om in de buurt van hun rendieren te verblijven. Wat een bijzondere plek om te zijn, lijkt me.
Het geluid van het motorbootje is al van ver te horen over het stille meer. Samen met een Duits echtpaar worden we opgehaald en afgezet bij onze respectievelijke wandelroutes. Het Duitse echtpaar van midden vijftig heeft een route gepland voor drie weken door Padjelanta Nationalpark. Het zijn, in mijn ogen, kleine iele mensen, maar zij draagt een rugzak van 29 kilo en hij van 34 kilo. Wat een kracht en doorzettingsvermogen moeten zij bezitten. Ik wens hen een prachtige wandeling toe, wanneer ik word afgezet in het Farlalvens Naturreservat. De bestuurder van de boot, de oude grijze man, vertelt mij dat ik vandaag de enige ben die hier loopt. ‘De hele berg is hier dus voor jou alleen,’ zegt hij. Ik moet hem bellen, wanneer ik wil worden opgehaald. Het is een rare gewaarwording wanneer hij wegvaart, en ons er alleen achterlaat. Een verlaten gevoel overvalt me. Ik hoop dat het motorbootje het blijft doen, want op de heenweg viel het meerdere keren stil en het herstarten ervan kostte enige moeite. Heel lang kunnen we het niet overpeinzen, want de muggen vallen ons weer in grote getale aan. In een flink tempo klimmen we de Nammatj berg op. Even voel ik de vermoeidheid van de dag ervoor, maar al snel zitten we in een strak loopritme. Na anderhalf uur hebben we de top bereikt, en kijken we uit over besneeuwde bergtoppen, bossen en meren. In de diepte zien we zelfs Kvikkjokk liggen.
De route terug is even zoeken. Na het rotsgedeelte bestaat de markering uit sporadisch geplaatste blauwe lintjes, die zijn opgeknoopt aan de bomen. Zogauw ik de route weer te pakken heb, bel ik de man van het bootje om te zeggen dat ik over een uur terug ben op de afgesproken plek. Gelukkig hoeven we niet lang te wachten met al dat muggengeweld, en opgelucht klimmen we aan boord.
De man vraagt of ik het goed vind om even om te varen, zodat hij langs zijn aardappelveldje kan. Ik vind het geen probleem. Het aardappelveldje ligt op een strookje land aan de rivier. Hij laat het mij met trots zien. Hij gebruikt de klei uit de rivier als natuurlijke bemesting. Met een kapot plastic emmertje haalt hij water uit de rivier, en giet het uit over het aardappelveldje. Mika gaat aan de rand van het veldje liggen en bekijkt alles met interesse. Wanneer hij klaar is met het verzorgen van zijn aardappelveldje, vraagt de man of ik mijn voeten wil optillen. Ik houd hem vast bij zijn schouder, terwijl hij met een afwasborstel mijn schoenzolen grondig borstelt. ‘Waar is dat dan goed voor?’, vraag ik hem met verbazing. ‘Hiermee voorkom je verspreiding van zaden in het natuurgebied,’ zegt hij. Oh ja, natuurlijk. Voordat we het bootje instappen, veeg ik de pootjes van Mika voor de zekerheid ook maar af.
De man vaart nog een stukje om, en laat mij een lagune zien. Deze wordt omgeven door bergen, die worden weerspiegeld in het water. Het is adembenemend mooi. Hij zet de motor uit, en we kijken in stilte om ons heen. Alleen het zachte kabbelen van het water tegen het bootje is te horen.
Op de terugweg vraag ik de man hoe hij zichzelf voorziet in zijn levensonderhoud op deze afgelegen plek. ‘Ik verdien weinig, maar ik geef ook weinig uit,’ zegt hij. ‘Ik heb hier mijn hele leven gewoond. Vroeger woonden hier 59 mensen, nu heeft Kvikkjokk nog maar 19 vaste bewoners’. De man vraagt vervolgens of ik, tegen een zeer gereduceerd tarief, aan het einde van de middag met hem mee wil om een stel wandelaars van de Kungstleden op te halen. Dat lijkt me geweldig, en een paar uur later sta ik met de honden klaar om weer mee te gaan. Ook Marte en Mika lijken te genieten van de tocht over het water. Zij maken goede vrienden met alle andere passagiers. Er wordt Zweeds, Duits, Frans en Engels door elkaar heengepraat. De man vaart met een omweg terug naar Kvikkjokk, en laat ons weer met trots de mooiste plekken vanaf het water zien. We vallen die avond in slaap met de prachtige beelden van Sarek op ons netvlies.