Een lange weg naar een kasteel in een park

‘Hoe krijgt je mama het voor elkaar?!,’ zeg ik bijna wanhopig tegen Moran, die naast me op de voorstoel zit. Ze kijkt me even strak aan, en dan weer naar het kleine weggetje voor ons. Het weggetje dat steeds smaller wordt, en waar ik ook helemaal geen inhammen zie. ‘Hoe moeten we elkaar ooit passeren als ik een tegenligger tegenkom,’ vraag ik me nogmaals hardop af. Moran zit nog steeds kaarsrecht naast me en kijkt stug voor zich uit. Vanaf Silver Beach leek het me een mooie route om over de heuvels van Donegal naar Assarance Waterfall te rijden, maar ik had niet verwacht dat het zo achteraf zou zijn. We rijden letterlijk over de toppen van de heuvels, en ik heb het gevoel dat we steeds verder van de bewoonde wereld afraken. Af en toe komen we nog een huisje tegen, maar veelal onbewoond en het mist een stuk muur of een dak. In ene zie ik een auto ons tegemoet rijden. ‘Wat nu?’ Ik kan geen kant op. Aan de linkerkant loopt het steil de heuvel af, en aan de rechterkant loopt het steil omhoog. De auto stopt, en de man achter het stuur en ik kijken elkaar even aan. Dat moment heeft waarschijnlijk niet lang geduurd, maar het voelde heel lang. Dan zie ik hem schakelen en begint hij langzaam achteruit te rijden. Ik zucht van opluchting. Gelukkig neemt hij het initiatief, en hoef ik niet achteruit op een klein bochtig weggetje. Langzaam kom ik ook weer in beweging. Het voelt alsof hij kilometers achteruit rijdt, maar ook dat zal wel meer lijken dan het in werkelijkheid was. Uiteindelijk komt hij bij een kleine verbreding van het weggetje en propt zijn auto schuin tegen de bergwand aan. Ik zwaai dankbaar terwijl ik hem passeer. Ik voel de wielen van de bus over het randje gaan, en even zie ik het scenario voor me dat ik nog steeds vrolijk zwaaiend de berg af kukkel met bus en al. Opgelucht rijd ik verder, maar ik voel mijn handen nog licht natrillen op het stuur. Ik ga wat harder rijden, hopende dat ik niemand meer tegenkom. Na een kwartiertje bereiken we Assarance Waterfall, niet heel spectacular, maar de honden doen er even een plas. Ik roep ze al snel weer naar binnen, en ze springen met tegenzin terug in de bus. ‘We gaan naar een heel mooi gebied,’ beloof ik ze. Een paar uur later draai ik weer een klein weggetje op, en rijd het Glenveagh National Park in. Het uitzicht op de Derryveagh Mountains is indrukwekkend, een aaneengesloten rij aan bergen met grote rotspartijen en lage heide begroeiing. Af en toe passeer ik stukken bos en meren. Het voelt er ruig en verlaten. Ik had vooraf op GoogleMaps een parkeerplaatsje gevonden dat Billys Pit heet. Het ligt inderdaad bovenop een berg, en is niet meer dan een gravelpit. Ik zet de motor uit en we kijken een tijdje in stilte om ons heen. Het waait hard, en behalve kale bergvlaktes zie ik geen wandelpaden of plekken om te lopen. ‘Dit is het niet,’ zeg ik tegen de honden. ‘Sorry jongens, maar we rijden toch nog even verder.’ Ik zie dat aan de andere kant van het park Errigal Mountain Hiking Parking ligt. Vanaf die parkeerplaats loopt een wandelroute naar de Errigal, die met haar 751 meter de hoogste piek van de Derryveagh Mountains in Donegal is. Deze bergketen wordt door de lokale bevolking ook wel de ‘Seven Sisters’ genoemd. Het is nog drie kwartier verder, maar we rijden het hele park door en het voelt als een ‘high’ om de natuur om ons heen te zien. ‘Oh jee, het is niet waar,’ mompel ik wanneer ik de parkeerplaats nader. Er staan hekken omheen, en grote graafmachines en ander bouwmateriaal bezetten de parkeerruimtes. Ik sta langs de kant van de weg en probeer te bedenken wat ik nu moet doen. Het is al tegen zessen, de honden moeten plassen en we hebben honger. Ik probeer op mijn mobiel een overnachtingsplek te vinden, maar ik heb geen bereik. Mijn ‘high’ gaat over in een ‘low’ en ik voel de tranen opkomen. Ik ben moe en voel me alleen. Waar moet ik naar toe? Er zit niks anders op dan dat ik maar richting het noorden rijd totdat ik iets tegenkom of weer bereik heb. Ik keer de bus om en rijd verslagen weer de weg op. Na een kwartiertje kom ik bij de hekken van het bezoekerscentrum van Glenveagh National Park. Op Google had ik al eerder gezien dat deze gesloten zouden zijn, maar nu ze nog openstaan rijd ik maar naar binnen. Ik kom op een groot parkeerterrein uit en zie twee andere campers staan. ‘We hebben hier afgelopen nacht ook gestaan en de hekken blijven gewoon open,’ zegt de vrouw van één van de campers. Ik haal opgelucht adem. Toch weer een plek gevonden. De honden rennen uitgelaten over de parkeerplaats. Ik verken het terrein en zie op een bord dat vanaf deze plek meerdere wandelroutes lopen. Langzaam word ik weer blij van binnen, en plan ’s avonds in de bus onze volgende wandelingen.

De muren van het kasteel zijn al in de verte te zien, een vierkante stenen toren met daarnaast een lagere ronde toren. Diverse bijgebouwen staan eromheen, die nu dienen als receptie, bezoekersruimte, restaurant, toiletten en opslagplaats voor het onderhoud van het kasteel en de tuinen. Nadat ik samen met Mika en Moran de Lough Inshagh Walk heb gelopen, bezoeken we nu het kasteel. Deze route loopt overigens langs niet alleen de Lough Inshagh, maar tot aan Lough Garten, een geleidelijke stijging en daling over de heuvels van Glenveagh. De plekken voelen oud aan, en zijn doordrenkt met historische artefacten, zoals de St. Colmcilles Cross, Church and Abbey. Behalve restanten van de kerk, abdij en het kruis zijn er ook zeer oude graven overwoekerd door bomen en planten. Met een kleine omweg zijn we bij het kasteel uitgekomen, dat over het meer Veagh uitkijkt. Het kasteel is rond 1870 gebouwd naar het voorbeeld van Balmoral Castle. De eigenaar, een rijke landspeculant, verdreef 47 gezinnen uit hun huizen, de zogenoemde ‘uitzettingen van Derryveagh’, zodat hij een beter uitzicht had. Inmiddels is het kasteel in bezit van de staat. Het is mogelijk om een kaartje te kopen om het kasteel van binnen te bekijken, maar ik loop samen met de honden om de grote muren heen naar de tuinen. De dertien hectare grote tuinen bieden een verscheidenheid aan bomen, struiken en bloemen uit de gehele wereld. Zo lopen we door de tuinen met planten uit Italië, Chili, Madeira, Tasmania tot aan de Himalaya. Kleine trappetjes, bruggetjes, vijvers en indrukwekkende stenen beelden complementeren het geheel. Het voelt sprookjesachtig, en de honden lijken ook onder de indruk van al het kleurenpracht en laten zo hun eigen sporen na.

Gepubliceerd door Nomarit

Mijn naam is Marit. Nadat ik mijn huis heb verkocht en mijn baan heb opgezegd, woon ik samen met mijn twee honden, Marte en Mika, in een bus. Deze blog vertelt over mijn nomadenbestaan al reizende door Europa.

2 gedachten over “Een lange weg naar een kasteel in een park

Plaats een reactie