Op weg naar het noorden

We staan met de bus op een parkeerplaatsje bij Rognsmoen aan de rand van Blåfjella-Skjækerfjella Nasjonalpark, één van de grootste parken van Noorwegen. Het is een buitengewoon woest gebied, met hoge bergen, veel meren, moerassen en rivieren. Er komen veel soorten grote zoogdieren voor, waaronder de poolvos, bruine beer, lynx, veelvraat en de wolf. Het parkeerplaatsje wordt omgeven door dennen, en we kijken tegen een hoge rotswand aan. Er staat een picknicktafel, een vuilnisbak en een bord met uitleg het gebied. We hebben er een flinke rit van ruim vijf uur opzitten, maar we zijn in ieder geval de stad Trondheim gepasseerd.
Aan het begin van de avond lopen we de Rognsmoen natur og kultursti rundtur, een aangegeven rondwandeling van hooguit een uurtje. Langs de route staan bordjes met uitleg over het gebied. Het schijnt van historische waarde te zijn, met een grafheuvel en restanten van huizen en een weg uit de Neolithicumse steentijd.

Mosjoen is een klein stadje dat tussen de bergen, de Vefsnfjorden en de Vefsna rivier ligt. Het is vooral bekend om de wijk Sjogata, waar de negentiende eeuwse gebouwen goed bewaard zijn gebleven.
Wij staan de volgende dag met de bus aan de overkant van het fjord tegen de imposante wand van de Oyfjellet aan. Achter ons staat helaas een klein bedrijventerrein, maar vanuit de bus kijken we over het water op de vrolijk gekleurde negentiende eeuwse huizen van Mosjoen.

Halverwege de middag beklim ik samen met Mika en Moran de Helgelandstrappa, een stenen trap bestaande uit meer dan drieduizend treden. Het schijnt één van de vijf mooiste bergtrappen in Noorwegen te zijn. De route is drie kilometer, dus ik denk in een uurtje boven te zijn. Het zijn grote stappen, en al snel voel ik het in mijn benen. De honden hoppen voor mij uit, maar zelfs zij lijken moeite te hebben met de steile klim. Ik zie soms een achterpootje trillen van de inspanning. Langzaam klimmen we het dal uit, en komen we boven de bomen. De uitzichten op het stadje, het fjord en de omliggende bergen zijn prachtig. Grote stenen en rotsblokken domineren de omgeving. We zijn een uur verder, en we hebben pas anderhalve kilometer gelopen. ‘Nog anderhalve kilometer te gaan,’ kreun ik inwendig. Elke dertig stappen moet ik stoppen, en leun ik voorover om op adem te komen. We zijn bijna bovenop de Oyfjellet, wanneer ik zestal sherpa’s tegenkom, die nog aan het laatste stuk van de trap werken. Hun gereedschap is eenvoudig, en bestaat vooral uit grote doeken en touwen om de stenen te verslepen en op hun plek te leggen. Wat een kracht moeten deze mensen hebben. Het is al tegen zessen, en ze staan op het punt om ermee te stoppen. In alle rust en met een glimlach op hun gezicht lopen ze de trap af naar beneden. Bijna kreunend loop ik het laatste stukje naar de top. In de harde koude wind kijken we naar de besneeuwde bergtoppen om ons heen. De gewervelde bergruggen liggen voor ons in een blauwe waas. Er komt een man naast ons staan. Duidelijk gewend aan het wandelen in de bergen, want hij is nauwelijks buiten adem. Ik vertel dat ik in twee tot drie weken helemaal bovenin Noorwegen wil zijn. ‘Doe er hooguit nog één tot anderhalve week over,’ zegt hij. ‘De sneeuw komt eraan. Ik voel het,’
We krijgen het al snel koud, en beginnen aan onze afdaling. De man loopt ons met grote stappen voorbij en verdwijnt al snel uit het zicht. Ook al doen we er niet zo lang over als de heenweg, de grote stappen naar beneden zorgen voor brandende kuiten. Drie uur later slepen we ons de bus in, en liggen al snel in een diepe uitgeputte slaap.

We rijden weer een paar uur verder richting het noorden. Aan het einde van de middag parkeren we bij het Arctic Circle Centre. We staan op een grote open vlakte in Saltfjellet – Svartisen Nasjonalpark, dat tot één van de grootste nationale parken van Noorwegen behoort. Het landschap is enorm gevarieerd, van bergformaties met gletsjers tot aan beboste valleien. Een groot deel van het park bestaat uit de Svartisen gletsjer, de op één na grootste gletsjer van Noorwegen met maar liefst zestig gletsjertongen, dus uitlopers.
Hier steken we de poolcirkel over. De cirkel verwijst naar de zon, die middenin de zomer niet meer ondergaat en halverwege de winter niet meer opkomt. We beginnen de kou hier wel te voelen. Het is dertien graden, en er staat een koude wind. We eten in onze bus met de deur dicht.

Gepubliceerd door Nomarit

Mijn naam is Marit. Nadat ik mijn huis heb verkocht en mijn baan heb opgezegd, woon ik samen met mijn twee honden, Marte en Mika, in een bus. Deze blog vertelt over mijn nomadenbestaan al reizende door Europa.

3 gedachten over “Op weg naar het noorden

Geef een reactie op Klary Reactie annuleren