De rood, geel en oranje herfstkleuren domineren ons uitzicht, terwijl we langs een klein paadje omhoog klimmen. We begonnen langs de rand van het Storvanet meer, met dichte begroeiing alsof we in een regenwoud liepen. Daarna klommen we naast een snelstromende waterval verder, en moesten we meerdere aftakkingen ervan doorkruisen springend van steen naar steen. En nu hebben we dan eindelijk zicht op de Moysalen, een berg van net boven de twaalfhonderd meter hoog. De gekartelde rotswand steekt donker af tegen de blauwe lucht. Vanochtend reden we nog uren in de regen, en breekt dan eindelijk de zon door.
Het Moysalen Nasjonalpark in een klein natuurgebied van slechts vijftig vierkante meter, maar het landschap doet groots aan met al die bergen, fjorden en gletsjers. Het middelpunt van het park is de Moysalen-berg, die wij nu in het vizier hebben. Het kost ruim zes tot zeven uur om deze berg te beklimmen, maar wij doen er enkel een klein stukje van. Het zien ervan is eigenlijk al voldoende. Majestueus steekt hij boven de andere bergen uit, terwijl wij aan de voet van de vallei lopen. Er zijn planken neergelegd over de moerasachtige stukken, waarover de honden netjes voor mij uitlopen. ‘We gaan tot die volgende bergpunt, en dan stoppen we ermee,’ besluit ik. We hebben tenslotte al ruim anderhalf uur gelopen, dus het zal tegen zevenen zijn tegen de tijd dat we terug bij de bus zijn. Het is doodstil, en we zijn nog geen mens tegengekomen. Via een klein modderig paadje klimmen we nog een steil stuk omhoog. Ik zweet van de inspanning, en mijn net vanochtend schoon aangetrokken wandelbroek zit alweer onder de modderspatten. Kijkend over een meertje, werpen we nog een laatste blik op de Moysalen, voordat we ons omdraaien en aan onze terugtocht beginnen.







We rijden verder over de E10 op de Lofoten, en het landschap doet bijna sprookjesachtig aan. Bergen worden afgewisseld met een blauwe kustlijn en overal steken rotsen eilandjes uit het water. Tegen de bergen zijn her en der wat huisjes aangebouwd, of ze bevinden zich bij de monding van een fjord. De wat grotere eilanden van de Lofoten zijn met elkaar verbonden door een brug of een tunnel onder het water. De E10 weeft zich als het ware over de eilanden heen.
Op het Vestvagoy eiland neem ik de afslag naar Hauklandstranda. Het is een wat smaller weggetje, maar na de kleine weggetjes in Engeland, schrikt dit gelukkig niet meer zo af. Het witte zand en het kristalheldere water is al van een afstand te zien. We draaien het parkeerterrein op en ik lees op een bord dat het lager gelegen terrein honderdzestig kronen kost om te overnachten. Voor het hoger gelegen terrein worden blijkbaar geen kosten in rekening gebracht. Het uitzicht is iets minder, maar dat maakt niet uit. Er lopen maar een paar mensen, dus ik laat de honden over het strand rennen. Marte staat meteen weer met haar pootjes in de zee, en rolt daarna in het zand. Mika en Moran ravotten op het strand en op de grote rotsblokken, die tot in het water liggen. Daarna gaan we wat eten. Ik heb een soort platte broodjes gekocht, en die afwisseling met spaghetti en blikvoer, is wel even fijn. Ik beleg de broodjes met wat kaas, en bak ze op met wat boter in een koekenpannetje. De honden krijgen extra brokken, maar ondanks alle voorzorgsmaatregelen, is Moran toch weer afgevallen. We maken dan ook wel flinke wandelingen. Mijn kleding zit ook weer wat losser, en dat terwijl ik toch dagelijks heel wat chocola consumeer.



In de middag loop ik samen met Mika en Moran de kustroute, die vanaf Haukland langs de Veggen-berg naar Uttakliev loopt. Het is een makkelijke wandeling over een grindpad dat vrijwel op gelijke hoogte blijft. We kijken uit over de zee, de rotskust en de donkere bergen aan de overkant van de baai. Uttakliev bestaat uit een paar huizen, boerderijen en wat bijgebouwen. Het strand wordt beschouwd als één van de meest fotogenieke Noorse stranden. Het stralende witte zand, groene gras, smaragdgroene water en de getijdengepolijste stenen op de rotsachtige kust schijnt fotografen van over de hele wereld te trekken. Voor Mika en Moran is het vooral een plek om vrij te rennen langs de branding van de zee.



Her regent de hele nacht. Middenin de nacht word ik wakker van de harde windstoten, die op de bus inbeuken. We zijn, sinds we in de bus wonen, nog nooit zo hard heen en weer geschud, en ik hoor het hout aan de binnenkant kraken. Houden de zonnepanelen op het dak dit wel? Of waait het dakraampje er zo uit? Mika gaat rechtop zitten. Hij is altijd de eerste die zich zorgen maakt. De andere twee slapen rustig door. We horen een klap, en daarna nog één. Ik doe het gordijntje bij de achterdeur een klein stukje omhoog, en samen met Mika kijk ik naar buiten. De deksel van een vuilnisbak staat recht omhoog en klappert in de wind. Twee wegversperringshekken liggen naast de weg op hun kant. Ik doe het gordijntje weer omlaag. ‘We gaan gewoon nog even lekker slapen,’ zeg ik tegen Mika, terwijl ik hem geruststellend over zijn grote kop aai. Maar in de daaropvolgende uren lig ik te luisteren naar de wind. Met elke harde windvlaag span ik onbewust mijn spieren aan. De bus lijkt af en toe bijna van de grond af te komen.
We blijven de volgende tot tien uur in bed liggen. Daarna lijkt het weer eindelijk een beetje op te klaren. Ik laat de honden vrij rennen over het Haukland strand. Het voordeel van slecht weer is dat er verder niemand is. Grote golven spoelen aan op het strand. De rotsen glinsteren van de nattigheid, en er hangen nog altijd donkere wolken boven de bergen.
Terug op de parkeerplaats ontdek ik een bord, waarop staat dat je ook hier honderdzestig kronen moet betalen om er te overnachten. Via een website kan je betalen of bij de koffieshop, maar die is tot nu toe nog niet open geweest. Ik vind het erg veel geld, vooral omdat je nog eens een extra twintig kronen moet betalen om naar de toilet te gaan, en bij de kraan hangt een bordje dat het water niet geschikt is om te drinken. Dat soort waarschuwingen kom ik trouwens wel vaker tegen, en tot nu toe ben ik nog nooit ziek geweest van het water dat niet drinkbaar zou zijn. Misschien hangt het er zodat mensen niet hun hele watertank ermee vullen, of het kan zijn dat ik inmiddels dankzij wat extra bacteriën een sterk immuunsysteem heb opgebouwd. Die betaling laat ik voor nu nog even zitten. Ik hoor het vanzelf wel als het niet goed is.
Marte is moe van het halfuurtje dat we op het strand hebben doorgebracht, en ze kruipt weer in haar mand. Ze slaapt steeds meer, en af en toe is ze bijna niet meer wakker te krijgen. Wordt ze te oud voor dit nomadenleven?

Samen met Mika en Moran ga ik weer op pad. Dit keer beklimmen we de berg Mannen, die achter de Veggen ligt. Mannen ligt vierhonderd meter boven zeeniveau, en binnen een uur hebben we de top bereikt. We kijken in de diepte neer op het strand en de blauwe baai van Vikbukta. Daarachter zien we de donkere bergen van de Lofoten, met hun rotsen uitlopers tot in de zee. Aan de andere kant van Mannen zien we het langwerpige meer Solstadvatnet, omringd door nog meer puntige bergen. We lopen terug richting het meer over een stenen bergkam. Aan beide kanten loopt het steil naar beneden. Het pad is modderig en glad van alle regen. Normaal gesproken die ik wat korter over de afdaling dan de klim naar boven, maar dit keer is het andersom. De terugweg neemt ruim anderhalf uur in beslag. Met kleine stapjes loop ik over de stenen. Af en toe glij ik zittend van een grote rots af. Mika en Moran wachten totdat ik zeg dat ze verder mogen. Ze luisteren goed, want ze voelen de ernst van de situatie wel aan. Er staat een harde ijzige wind, en ik krijg het koud. Dat maakt bewegen nog lastiger. Vol concentratie leg ik de laatste moeilijke stukken af. Ik zucht van opluchting. ‘Nou dat hebben we dan ook weer gehad,’ zeg ik tegen de honden. We zien het oude paardenpad, dat tot ver in de achttiende eeuw de enige verbinding tussen Haukland en Uttakliev was, beneden ons liggen. Ineens glijd ik uit. Mijn linkerbeen komt krom onder me te liggen, terwijl mijn rechterbeen voor me uitstrekt. Een felle pijnscheut schiet door mijn linkerknie. Misselijk van de pijn blijf ik versuft liggen. Langzaam dringt de kou en de nattigheid van de grond door in mijn lichaam, en ik besef dat ik moet opstaan. Mika en Moran staan ernstig kijkend naast me. Ik trek mijn linkerbeen langzaam naar me toe en plaats er voorzichtig wat gewicht op. Dat gaat goed, en ik kom in beweging. Het valt mee. In vertraagde pas bereiken we de bus. Er is niets heerlijkers dan na een intensieve wandeling, je natte kleding uit te trekken, het koude zweet met een loeiheet washandje eraf te wassen, en dan droge kleding aan te trekken. Met een warme kruik tegen mijn rug en een beker warme chocolademelk in mijn handen kijk ik dromerig vanaf mijn bankje in de bus naar de bergen.







We worden de volgende ochtend wakker en zien al de eerste zonnestralen door het dakraampje van de bus. Het belooft een mooie dag te worden. We zijn gisteren nog een uurtje verder over de Lofoten gereden, en staan nu op de parkeerplaats Steffenakken.
De Lofoten doet mij denken aan Isle of Skye. Beide eilanden zijn erg toeristisch, en overal rijden of zie je campers staan. Ook Steffenakken staat vol met campers, in een halve cirkel met uitzicht op de zee en rotsige kustlijn.
Vandaag wil ik de Reinebringen beklimmen, een supersteile maar niet al te lange tocht. Het is een populaire bestemming, dus we vertrekken vroeg om de ergste drukte te vermijden. Ik sla het dekbed terug om uit bed te stappen, maar mijn hele lichaam voelt stijf en pijnlijk aan na mijn val van gisteren. Mijn linkerbeen is vanaf de knie tot aan de enkel dik en blauw. Ik heb spierpijn tot aan mijn ribben. Het was voor mijn idee maar een kleine slip, maar voor mijn lijf voelt het alsof ik de halve Mannen ben afgerold. ‘Nou jongens, ik hoop dat die wandeling gaat lukken,’ zeg ik tegen de honden die alweer staan te popelen om naar buiten te gaan. Na een stevig ontbijt van warme pap en extra krachtvoer voor de honden, stap ik voorzichtig in mijn schoenen. Ik trek de veters van de hoge wandelschoenen flink aan, en hoop dat het mijn enkel wat stevigheid biedt. Het lopen gaat op zich wel, zolang ik geen draai maak of te ver doorbuig. We lopen een stukje langs de E10, en daarna beginnen we bij de oude weg naast de Ramsviktunnelen aan de steile trap omhoog. Ik zet steeds af met mijn rechterbeen en mijn spieren warmen zich al snel op. Het is met zo’n vijftienhonderd treden gelukkig maar de helft van de Helgelandstrappa. We staan regelmatig stil, niet alleen om op adem te komen, maar ook omdat er zich al heel wat mensen op de trap bevinden en Mika en Moran vrijwel altijd vertederende blikken opleveren en geaaid en geknuffeld moeten worden. De honden lijken hun therapeutische waarde te beseffen, en doen er van harte aan mee. Het uitzicht aan de top is wederom fenomenaal, en typisch Lofoten. We kijken neer op de kleine rode vissershuisjes van het dorpje Reine, de eilanden die met bruggen aan elkaar verbonden zijn, de steile bergen die het omringen en de blauwe zee. De trap eindigt hier, maar ik zie dat er een paadje doorloopt over de bergen. ‘Laten we een klein stukje verder gaan, nu we hier toch zijn.’ Dat laten de honden zich geen tweede keer zeggen, en we lopen verder over de nauwe bergkam waarvan de afgronden nog steiler zijn dan die van de Mannen-berg gisteren. Ik probeer niet al teveel in de diepte te kijken, want ik vind het wel eng. We klimmen over grote rotsblokken, en glijden er aan de andere kant weer af. Mijn linkerbeen voel ik niet meer, want de adrenaline giert door mijn lichaam. Ik zie de top waar ik naar toe wil. Mika springt als eerste op een groot rotsblok, maar haalt het net niet. Zijn nagels krassen over het steen wanneer hij rakelings langs de afgrond terugvalt. Ik grijp de heupriem en trek hem terug van het randje. Mijn hart bonkt in mijn keel. Waar ben ik mee bezig? Mika wil nog een keer springen, maar ik houd hem tegen. Nee, dit is onverantwoord. ‘We gaan terug.’ Na nog een laatste blik op het topje te hebben geworpen, keren we om. De terugweg is niet makkelijk, want ik zie nu pas hoe ontzettend steil de klim is. Ik ben opgelucht, en voel me zelfs een beetje slap worden, wanneer we de stenen trap bereiken. ‘Vanaf nu gaan we echt wat voorzichtiger doen,’ zeg ik streng tegen de honden.






jeetje Marit, wat ben je toch een bikkel…
ben trouwens benieuwd of je ook een stappenteller op je telefoon hebt?
liefs!
LikeGeliked door 1 persoon
Dank je wel, en nee, ik heb geen stappenteller op mijn telefoon. Misschien moet ik er zo eentje die mijn hartritme meet, want die raakt af en toe een beetje over z’n toeren… 😄
LikeLike
Zo genoten van je reisverslag maar kreeg bijna een hartverzakking !
LikeGeliked door 1 persoon
We zijn er nog steeds! 🙂🐺🐺🐺🚐
LikeLike